Logo Kamerkoor Vocoza Wie liegt die Stadt...

Teksten en vertalingen Wie liegt die Stadt so wüst

Deze teksten en vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat ook op papier bij het concert beschikbaar is.


De Lamentatione Jeremiae Prophetae

 

Gregoriaans

JOD
Manum suam misit hostis
Ad omnia desiderabilia ejus,
Quia vidit gentes ingressas sanctuarium suum,
De quibus praeceperas ne intrarent in ecclesiam tuam.

CAPH
Omnis populus ejus gemens et quaerens panem;
Dederunt pretiosa quaeque pro cibo ad refocillandam animam.
Vide, Domine, et considera quoniam facta sum vilis!

MEM.
De excelso misit ignem in ossibus meis et erudivit me:
expandit rete pedibus meis: convertit me retrorsum
posuit me desolatam tota die maerore confectam.

NUN
Vigilavit jugum iniquitatum mearum
in manu ejus convolutae sunt et impositae collo meo
infirmata est virtus mea dedit me Dominus in manu de qua non potero surgere

Jerusalem, Jerusalem,
Convertere ad Dominum Deum tuum.

JOD
De tegenstander heeft de hand geslagen aan al haar kostbaarheden
Want zij ziet de heidenvolken binnendringen in haar heiligdom
Aan wie u verboden had in uw tempel te komen.

CAPH
Haar hele volk zucht en is op zoek naar brood
Het heeft al zijn kostbaarheden geruild voor voedsel om weer op krachten te komen.
Kijk, o Heer, en zie hoe armzalig ik geworden ben!

MEM.
Vanuit de hoogte heeft hij een vuur in mijn beenderen gezonden en mij onderricht:
Hij heeft een valstrik gespannen voor mijn voeten, hij doet mij terugdeinzen:
Hij heeft mij eenzaam achtergelaten en hele dagen neerslachtig laten wegkwijnen.

NUN
Waakzaam was het juk van mijn ongerechtigheden;
door zijn hand zijn zij samengevlochten en om mijn hals gelegd
Ontzenuwd is mijn kracht want de Heer heeft mij bij de hand genomen, van waaronder ik mij niet kan oprichten

Jeruzalem
keer terug tot de Heer uw God.


Ego dormio

 

Heinrich Schütz (1585-1672)

Ego dormio et cormeum vigilat
Aperi mihi, soror mea, columba mea
Immaculata mea!
Quia caput meum plenum est rore
et cincinni mei gutis noctium

Ik sliep, maar mijn hart waakte
Open mij, mijn zuster, mijn duif
Mijn volmaakte!
Want mijn hoofd is vervuld met dauw
Mijn haarlokken met nachtdruppen


Wie liegt die Stadt so wüst

 

Rudolf Mauersberger (1889-1971)

Wie liegt die Stadt so wüst, die voll Volks war.
Alle ihre Tore stehen öde
Wie liegen die Steine des Heiligtumsvorn auf allen Gassen zerstreut
Er hat ein Feuer aus der Höhein meine Gebeine gesandt und es lassen walten
Ist das die Stadt, von der man sagt, sie sei die allerschönste, der sich das ganze Land freuet
Sie hätte nicht gedacht, daß es ihr zuletzt so gehen würde; sie ist ja zu greulich heruntergestoßen und hat dazu niemand, der sie tröstet
Darum ist unser Herz betrübt und unsere Augen sind finster geworden
Warum willst du unser sogar vergessen und uns lebenslang sogar verlassen!
Bringe uns, Herr, wieder zu dir, daß wir wieder heimkommen!
Erneue unsre Tage wie vor alters.
Herr, siehe an mein Elend

Hoe eenzaam ligt de stad, die eens vol mensen was.
Al haar poorten zijn verlaten.
Hoe verspreid liggen de stenen van het heiligdom, over alle straathoeken uitgestrooid. Hij heeft een vuur uit de hoogte in mijn gebeente gezonden en het zijn werk laten doen.
Is dat de stad waarvan men zegt dat ze de allermooiste is, waarover het hele land zich verheugt?
Ze had niet voorzien dat het haar ten slotte zo zou vergaan; ze is op een afschuwelijke manier ten val gebracht en ze heeft niemand die haar troost.
Daarom is ons hart bedroefd en zijn onze ogen somber geworden
Waarom wilt u ons voorgoed vergeten en ons voor altijd verlaten!
Breng ons weer bij u, Heer, opdat wij weer thuiskomen!
Vernieuw onze dagen, laat ze zijn als voorheen Heer, heb toch oog voor mijn ellende


Vidi speciosam

 

Tomas Luis de Victoria (ca 1548-1611)

Vidi, speciosam sicut columbam, ascendentem desuper rivos aquarum
Cuius inaestimabilis odor erat nimis in vestimentis eius
Et sicut dies verni circumdabant eam flores rosarum et lillia convallium
Quae est ista, quae ascendit per desertum sicut virgula fumiex aromatibus myrrhae et thuris?

Ik zag haar, mooi als een duif opstijgen boven de wateroevers
De geur van haar gewaad was niet in woorden te vatten.
En als lentedagen omringden haar rozen en lelies der valleien.
Wie is zij, die daar komt uit de woestijn als een zuil van rook in een wolk van mirre en wierook?


O vos omnes

 

Carlo Gesualdo di Venosa (1560-1613)

O vos omnes qui transítis per viam
attendite et videte:
Si est dolor similis sicut dolor meus.
Attendite, universi populi, et videte dolorem meum.
Si est dolor similis sicut dolor meus.

O gij allen die langs de weg voorbijkomt
Aanschouwt en ziet
Of er een smart bestaat zo groot als de mijne
Aanschouwt, allemaal en ziet mijn smart
Bestaat er een smart zo groot als de mijne?


Northern Lights

 

Ola Gjeilo (1978-)

Pulchra es amica mea
Suavis et decora sicut Jerusalem
Terribilis ut castrorum acies ordinata
Averte oculos tuos a me
Quia ipsi me avolare fecerunt

Mooi ben je, mijn liefste
Aangenaam en prachtig als Jeruzalem
Schrikwekkend als een slagvaardig leger
Wend je ogen van mij af
Want zij maken dat ik op de vlucht sla.


De Lamentatione Jeremiae Prophetae

 

Alonso Lobo (1555-1617)

De Lamentatione Jeremiae Prophetae.

HETH.
Misericordiæ Domini, quia non sumus consumpti quia non defecerunt miserationes ejus.

HETH.
Novi diluculo, multa est fides tua.

HETH.
Pars mea Dominus, dixit anima mea; propterea exspectabo eum.

TETH.
Bonus est Dominus sperantibus in eum, animæ quærenti illum.

TETH.
Bonum est præstolari cum silentio salutare Dei.

TETH.
Bonum est viro cum portaverit jugum ab adolescentia sua.
Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum Deum tuum.

De klaagliederen van de profeet Jeremia

HETH
De standvastige liefde van de Heer houdt nooit op, zijn barmhartigheden komen nooit tot een einde;

HETH
ze zijn elke ochtend nieuw; groot is uw trouw.

HETH.
'De Heere is mijn deel', zegt mijn ziel, 'daarom zal ik op Hem hopen.'

TETH
De Heer is goed voor hen die op Hem wachten, voor de ziel die Hem zoekt.

TETH
Het is goed dat men rustig wacht op de zaligheid van de Heer.

TETH
Het is goed voor een man dat hij in zijn jeugd het juk draagt.
Jeruzalem, keer terug tot de Heer uw God.


Le jardin clos

 

Jean Yves Daniel-Lesur (1908-2002)

Que tu es belle ma bien aimé, que tu es belle
Tes yeux sont des colombes, tes cheveux comme un troupeau de chèvres ondulant sur les pentes du Galaad.
Tes dents comme un troupeau de brebis tondues qui remontent du bain;
Deux a deaux, chacune a sa jumelle.
Tes joues moitiés de grenades à travers ton voile.
Tes deux seins sont comme deux biche-lots gémeaux de la biche qui paissent parmi les lis.

Tu me fais perdre le sens par un seul de tes regards, ma soeur ma fiancée
Viens du Liban et tu seras couronnée du chef d’Amana!

Elle est un jardin bien clos ma soeur, ma fiancée, un jardin bien clos une source scellée

Que mon Bien aimé entre dans son jardin et qu’il en goûte les fruits délicieux

Wat ben je mooi, mijn vriendin, wat ben je mooi.
Je ogen zijn als duiven, je lokken zijn als een kudde geiten die afdalen van Gileads bergen.
Je tanden zijn als een kudde schapen die pas geschoren uit het bad komen
twee aan twee, en geen enkele is alleen
Je wangen achter je sluier zijn als het hart van een granaatappel.
Je beide borsten zijn twee reekalfjes, de tweeling van een gazel, weidend tussen de lelies

Je berooft me van mijn zinnen met een enkele blik van je ogen, mijn zuster, mijn bruid
Kom van de Libanon, ren naar beneden van de top van de Amana!

Een gesloten hof is ze, mijn zuster, mijn bruid, een gesloten hof, een verzegelde bron.

Moge mijn lief in zijn tuin komen en er genieten van de kostelijke vruchten


Soir de neige

 

Francis Poulenc (1899-1963)

I. Le feu

I. Het vuur

De grandes cuillers de neige
Ramassent nos pieds glacés
Et d’une dure parole
Nous heurtons l’hiver têtu
Chaque arbre a sa place en l’air
Chaque roc son poids sur terre
Chaque ruisseau son eau vive
Nous nous n’avons pas de feu

Grote klonten sneeuw
Vergaren onze ijzige voeten
En met een hard woord
Stoten wij op de koppige winter
Elke boom heeft zijn plaats onder de hemel
Elke rots zijn gewicht op aarde
Elke beek zijn stromend water
Wij, wij hebben geen vuur


II Le loup

II De wolf

La bonne neige le ciel noir
Les branches mortes la détresse
De la forêt pleine de pièges
Honte à la bète pourchassée
La fuite en flèche dans le coeur
Les traces d’une proie atroce
Hardi au loup et c’est toujours
le plus beau loup et c’est toujours
Le dernier vivant que menace
La masse absolue de la mort
La bonne neige etc.

De heerlijke sneeuw de zwarte hemel
De dode takken de verlatenheid
Van het woud vol valstrikken
Schande zij het opgejaagde dier
De vlucht als een pijl in het hart
De sporen van een wrede prooi
Vooruit wolf en het is altijd
De mooiste wolf en het is altijd
De laatstlevende die bedreigd wordt
Door de absolute massa van de dood
De heerlijke sneeuw ...etc.


III Derniers instants

III Laatste momenten

Bois meurtri, bois perdu
D’un voyage en hiver
Navire où la neige prend pied
Bois d’asile, bois mort
Où sans espoir je rêve
De la mer aux miroirs crevés
Un grand moment d’eau froide a saisi les noyés
La foule de mon corps en souffre
Je m’affaiblis je me disperse
J’avoue ma vie j’avoue ma mort
J’avoue autrui
Bois meurtri, bois perdu
Bois d’asile, bois mort

Gekwetst bos, verloren bos
Van een reis door de winter
Schip waar de sneeuw vaste grond krijgt
Bos van toevlucht, dood bos
Waar ik droom zonder hoop
Van de zee met de gebarsten spiegels
Een groot ogenblik van koud water heeft de drenkelingen bevangen
De massa van mijn lichaam lijdt eronder
Ik bezwijk ik raak verstrooid
Ik erken mijn leven ik erken mijn dood
Ik erken de anderen
Gekwetst bos, verloren bos
Bos van toevlucht, dood bos


IV Du dehors

IV Van buitenaf

La nuit le froid la solitude
On m’enferma soigneusement
Mais les branches cherchaient leur voie dans la prison
Autour de moi l’herbe trouva le ciel
On verrouilla le ciel
Ma prison s’écroula
Le froid vivant, le froid brûlant m’eut bien en main

De nacht de koude de eenzaamheid
Ik ben zorgvuldig opgesloten
Maar de takken zochten hun weg in de gevangenis
Om mij heen vond het gras de hemel
Men vergrendelde de hemel
Mijn gevangenis stortte in
De levendige kou, de vurige kou had mij stevig in de greep