Logo Kamerkoor Vocoza Air
Sponsor: RMA - recording media

Teksten en vertalingen Air

Deze teksten en vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat ook op papier bij het concert beschikbaar is.


Soffio

Jean-Christophe Rosaz (2010)

Un soffio
scende delle cime
sopra di me
nella valle
valle lontana
lontan...

Een ademtocht
Daalt af van de toppen
Boven mij
In de vallei
De verre vallei
Ver…

Vertaling: Nico Witteman


Songs of Ariel

Frank Martin (1950)


1 Acte I, sc. II

 

Come unto these yellow sands,
And then take hands:
Courtsied when you have and kiss'd
The wild waves whist,
Foot it featly here and there;
And, sweet sprites, the burthen bear.
Hark, hark!
Burthen [dispersedly, within]
The watch-dogs bark!
Burthen Bow-wow
Hark, hark! I hear
The strain of strutting chanticleer
Cry, Cock-a-diddle-dow.

Reik hier op het blonde strand
Elkaar de hand:
Dans en speel en kus vrij-uit:
De zee wischt uit:
Morgen zelfs geen voet-indruk:
Elven-zang schraagt uw geluk.
(Men hoort in de verte kraaien en blaffen).
Hoor, hoor!
De dag breekt door,
De morgen breekt aan,
De waakhond slaat aan,
Kukeleku! roept de haan!


2 Acte I, sc. II

 

Full fathom five thy father lies;
Of his bones are coral made;
Those are pearls that were his eyes:
Nothing of him that doth fade
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.
Sea-nymphs hourly ring his knell
Burthen Ding-dong
Hark! now I hear them,--Ding-dong, bell.

Vijf vaam diep ligt je vader in zee,
Maar in zee gaat niets verloren:
Zijn oog wordt een parel, zijn rib wordt koraal,
En schelpen worden zijn ooren.
Zoo wordt alles aan hem vermooid
En tot een ding van de zee voltooid.
Aanhoudend luiden de zeemeerminnen
Zijn doodsklok - Ding, dong - Hoor, ze beginnen -
(Men hoort verre klokjes klinkelen).


3. Acte IV, sc. I

 

Before you can say 'come' and 'go,'
And breathe twice and cry 'so, so,'
Each one, tripping on his toe,
Will be here with mop and mow.
Do you love me, master? no?

Vóór gij ‘hela’ roept of ‘hei’,
Fluit of klapt: daar dansen wij
Op de teenen naderbij
Met ons masker en kleedij. -
Meester, houdt gij nog van mij?



4. Acte III, sc. III

 

You are three men of sin, whom Destiny,
That hath to instrument this lower world
And what is in't, the never-surfeited sea
Hath caused to belch up you; and on this island
Where man doth not inhabit; you 'mongst men
Being most unfit to live. I have made you mad;
And even with such-like valour men hang and drown
Their proper selves.
You fools! I and my fellows
Are ministers of Fate: the elements,
Of whom your swords are temper'd, may as well
Wound the loud winds, or with bemock'd-at stabs
Kill the still-closing waters, as diminish
One dowle that's in my plume: my fellow-ministers
Are like invulnerable. If you could hurt,
Your swords are now too massy for your strengths
And will not be uplifted. But remember--
For that's my business to you--that you three
From Milan did supplant good Prospero;
Exposed unto the sea, which hath requit it,
Him and his innocent child: for which foul deed
The powers, delaying, not forgetting, have
Incensed the seas and shores, yea, all the creatures,
Against your peace. Thee of thy son, Alonso,
They have bereft; and do pronounce by me:
Lingering perdition, worse than any death
Can be at once, shall step by step attend
You and your ways; whose wraths to guard you from--
Which here, in this most desolate isle, else falls
Upon your heads--is nothing but heart-sorrow
And a clear life ensuing.

Gij zijt drie zondaars, die de voorbeschikking
(Wier taak is, lager werelden te richten
Naar hooger wet) uit de onverzaadbre zee
Ontrukt en uitgespuwd heeft op dit eiland
Door menschen niet bewoond; gij, onder menschen
Onwaardig element. - En ik benar u,
Drijf u in 't nauw, tot 't eigen mes of 't water
Uw eenige uitkomst wordt!
Verdwaasden! Wij,
Ik en mijn helpers, zijn in dienst van 't Noodlot;
Het staal waarvan uw zwaardjes zijn vervaardigd
Steekt eer een gat in golven of in stormwind,
Dan dat het in mijn vlerk één veertje krenkt;
Ook mijn trawanten zijn onkwetsbaar; trouwens,
Die wapens zijn u reeds te zwaar, gij kunt
Ternauwernood hen tillen. - Weten zult ge:
(Hoort, hoort mijn boodschap!) weten: dat gij drieën
Prospero hebt verdreven uit Milaan,
Hem prijsgaaft aan de zee (die 't heeft vergolden)
Hem en een hulploos kind; dat, voor die wandaad,
De macht, die uitstelt soms maar nooit vergeet,
Zee, land, ja, heel de schepping heeft ontketend
Tegen uw zelfzucht. - U, Alonso, nam
Hij reeds uw zoon; maar nog moet ik u melden,
Dat een langzaam verderf, boozer dan welke
Plotslinge dood ook, u langs ieder pad
Stap voor stap nasluipt; dat er geen verweer,
Hier, op dit aller-eenzaamst eiland, tegen
Zijn onontkoombre wraakzucht baat, dan wroeging
En een gelouterd hart.


5. Acte V, sc. I

 

Where the bee sucks. there suck I:
In a cowslip's bell I lie;
There I couch when owls do cry.
On the bat's back I do fly
After summer merrily.
Merrily, merrily shall I live now
Under the blossom that hangs on the bough.

Tekst: William Shakespeare (1564-1616)

Met de bijen meegegaan
Sluimer 'k in een gentiaan,
Zwier als de uilen krassen gaan
Op een vleermuis daar vandaan
Achter 't zomerzonlicht aan:
Zwierend en zwevend gaat voortaan mijn spoor
De bevende bloesems der boomgaarden door.

Vertaling: met toestemming overgenomen uit Martinus Nijhoff, de Gids jaargang 92, 1928


Wind

J. Aaron McDermid (2010) - uit: From Light to Light, deel 4

Thin this silver cord like wisp of smoke
Mere brush of breath against the face
Ah!
I know I do not know…
and smile grateful into light
(Mid clouds of myrrh the eagle soars
and hymns the heart of God)
and smile grateful
into
light

Deze zilveren draad als een kringel van rook
Louter ademveeg langs het gezicht
Ah!
Ik weet dat ik het niet weet…
en glimlach dankbaar in het licht
(Temidden van wolken van mirre stijgt de adelaar
En bezingt het hart van God)
en glimlach dankbaar
in
het licht

Vertaling: Nico Witteman


Ciel, Air et Vents

Rudolf Escher (1957)


I. Ode

 

Ô Fontaine Bellerie,
Belle fontaine chérie
De nos Nymphes, quand ton eau
Les cache au creux de ta source,
Fuyantes le Satyreau,
Qui les pourchasse à la course
Jusqu'au bord de ton ruisseau,

Tu es la Nymphe éternelle
De ma terre paternelle :
Pource en ce pré verdelet
Vois ton Poète qui t'orne
D'un petit chevreau de lait,
A qui l'une et l'autre corne
Sortent du front nouvelet.

L'Été je dors ou repose
Sur ton herbe, où je compose,
Caché sous tes saules verts,
Je ne sais quoi, qui ta gloire
Enverra par l'univers,
Commandant à la Mémoire
Que tu vives par mes vers.

L'ardeur de la Canicule
Ton vert rivage ne brûle,
Tellement qu'en toutes parts
Ton ombre est épaisse et drue
Aux pasteurs venant des parcs,
Aux bœufs las de la charrue,
Et au bestial épars.

Iô ! tu seras sans cesse
Des fontaines la princesse,
Moi célébrant le conduit
Du rocher percé, qui darde
Avec un enroué bruit
L'eau de ta source jasarde
Qui trépillante se suit.

O bron Bellerie
Mooie godin, bemind
Door de nimfen, wanneer jouw water
Ze verbergt in de diepten waar je ontspringt
Terwijl ze de satyr ontvluchten
Die hen hollend achterna zit
Tot aan de oever van je beek,

Jij bent de eeuwige nimf
Van het land mijns vaders
Daarom staat in deze groene wei
Jouw dichter die je eert
Met een klein geitje
Waarvan allebei de horens
Uit het nieuwe kopje tevoorschijn komen.

Altijd rust ik in de zomer uit
Op jouw gras, waar ik dicht
Verborgen onder jouw groene wilgen
Iets (‘t geeft niet wat) dat jouw glorie
Over de wereld moet verspreiden
En zo de geschiedenis dwingt
Je voort te doen leven door mijn verzen.

De hitte van de hondsdagen
Verschroeit nooit je groene oevers
want overal
Is je schaduw dicht en aaneengesloten
Voor de herders die van de weiden komen
Voor de ossen die moe zijn van de ploeg
En voor alle verspreide beesten.

O! Jij zult altijd
Van alle bronnen de uitgelezene zijn
Ik bezing de stroom
Uit de doorboorde rots, die een weg baant
Met schor geluid
Voor het water van je zingende bron
Dat ruisend voortstroomt.


II. Chanson

 

Quand ce beau Printemps je vois,
J’aperçois
Rajeunir la terre et l’onde
Et me semble que le jour,
Et l’Amour,
Comme enfants naissent au monde.

Le jour qui plus beau se fait,
Nous refait
Plus belle et verte la terre,
Et Amour armé de traits
Et d’attraits,
En nos cœurs nous fait la guerre.

Il répand de toutes parts
Feux et dards
Et dompte sous sa puissance
Hommes, bêtes et oiseaux,
Et les eaux
Lui rendent obéissance.

Je sens en ce mois si beau
Le flambeau
D’Amour qui m’échauffe l’âme,
Y voyant de tous côtés
Les beautés
Qu’il emprunte de ma Dame.

Quand je vois tant de couleurs
Et de fleurs
Qui émaillent un rivage,
Je pense voir le beau teint
Qui est peint
Si vermeil en son visage.

Quand je vois les grand rameaux
Des ormeaux
Qui sont lacés de lierre,
Je pense être pris és lacs
De ses bras,
Et que mon col elle serre.

Quand je vois dans un jardin,
Au matin,
S’éclore une fleur nouvelle,
J’accompare le bouton
Au teton
De son beau sein qui pommelle.

Quand je sens parmi les prés
Diaprés
Les fleurs dont la terre est pleine,
Lors je fais croire à mes sens
Que je sens
La douceur de son haleine.

Je voudrais au bruit de l’eau
D’un ruisseau,
Déplier ses tresses blondes,
Frisant en autant de nœuds
Ses cheveux.
Que je verrais friser d’ondes.

Je voudrais, pour la tenir,
Devenir
Dieu de ces forêts désertes,
La baisant autant de fois
Qu’en un bois
Il y a de feuilles vertes.

Hà ! Maîtresse, mon souci,
Viens ici,
Viens contempler la verdure !
Les fleurs de mon amitié
Ont pitié,
Et seule tu n’en as cure.

Au moins lève un peu tes yeux
Gracieux,
Et vois ces deux colombelles,
Qui font naturellement,
Doucement
L’amour du bec et des ailes.

Et nous, sous ombre d’honneur,
Le bonheur
Trahissons par une crainte :
Les oiseaux sont plus heureux
Amoureux,
Qui font l’amour sans contrainte.

Toutefois ne perdons pas
Nos ébats
Pour ces lois tant rigoureuses ;
Mais, si tu m’en crois, vivons,
Et suivons
Les colombes amoureuses.

Pour effacer mon émoi,
Baise-moi,
Rebaise-moi, ma Déesse !
Ne laissons passer en vain
Si soudain
Les ans de notre jeunesse.

Als ‘k de fraaie lente aanschouw,
Zie ‘k al gauw
Hoe het water en de aard
En de tijd in nieuw begin
En de min
Weer als kind worden gebaard.

Elke dag maakt zich weer mooi,
Biedt ons tooi
Van een fraaier, groener leven
En Amor zendt pijlen uit,
Zoekt z’n buit
En doet onze harten beven.

Hij verspreidt langs alle kant
Pijlenbrand
En dicteert eenelk zijn wetten:
Mens of vogel, ieder dier,
Of rivier
Wordt gevangen in zijn netten.

Ik voel in die meimaand lauw
De flambouw
Van Amor mijn hart verwarmen
En ik zie hoe schoonheid gloeit
En mij boeit
Aan de Vrouwe in mijn armen..

Als ik naar de bloemen kijk,
Tintenrijk,
die het landschap overdekken,
Denk ik aan de kleuren die
‘k Glanzen zie
In haar zo geliefde trekken.

Als ik naar de iepen kijk,
Of de eik,
Die door klimop zijn omvangen,
Dan denk ik, van binnen warm,
Aan haar arm,
Waarin mijn hals zit gevangen.

Bij een bloemknop die zich uit,
Zich ontsluit,
Waarnaar alle vlinders dorsten,
Denk ik aan de tepelhof
Zo vol lof,
Op haar fraai bollende borsten.

Ruik ik heel die bloemenkeur
En haar geur
Die aarde gans omvademt,
Dan denk ik: ik ruik alleen,
Ongemeen,
De zoetheid waarmee zij ademt.

Ik wil graag bij ‘t waterlied
Van een vliet
Haar zo blonde vlecht onthullen,
En heur haar dan rond haar hals
Kroezen als
alle golfjes die zich krullen.

Ook wil ik graag dat het lot
Mij maakt tot
God van ‘t woud met stille zomen,
Haar daar kussen, al met al,
Tot het tal
Van de blaadjes aan de bomen.

Oh! Mijn lief, mijn diepst plezier,
Kom toch hier,
Kom en kijk naar lentes wezen!
Elke bloem hier toont met mij
Medelij,
Maar jij wilt mij niet genezen.

Sla toch eens je ogen op,
Zie de krop
Van die beide tortelduiven,
Die daar met getrekkebek,
Vleugelstrek,
Elkaar op de liefde fuiven.

Moeten wij soms om de eer
Telkenkeer
Ons de liefde weer ontzeggen?
Vogels zijn dan in de mei
Veel meer vrij:
Vrijen zonder overleggen!

Laat ons het vrijen niet ontgaan
En voortaan
Vrij zijn van die strenge wetten.
Laten wij ons liefdespad,
Lieve schat,
Naar dat van de duiven zetten.

Doof mijn opstand met een kus,
Kus me dus!
Kus me nogmaals, mijn vriendinne,
Laat niet zonder deze vreugd
Onze jeugd
Vlug vergaan zonder te minnen.



III. Sonnet

 

Ciel, air et vents, plains et monts découverts,
Tertres vineux et forêts verdoyantes,
Rivages tors et sources ondoyantes,
Taillis rasés et vous, bocages verts,

Antres moussus à demi-front ouverts,
Prés, boutons, fleurs et herbes rousoyantes,
Vallons bossus et plages blondoyantes,
Et vous rochers, les hôtes de mes vers!

Puisqu'au partir, rongé de soin et d'ire,
A ce bel œil adieu je n'ai su dire,
Qui près et loin me détient en émoi,

Je vous suppli', ciel, air, vents, monts et plaines,
Taillis, forêts, rivages et fontaines
Antres, prés, fleurs, dites-le-lui pour moi.

Tekst: Pierre de Ronsard (1524-1585)

Hemel. Lucht en winden, dalen, kale bergen,
Wijnbegroeide heuvels en fris uitgebotte wouden,
Kronkelige oevers en golvende bronnen,
Kortgesnoeid kreupelhout en gij, groene bosjes,

Bemoste grotten, op halve hoogte open,
Weiden, knoppen, bloemen en roodglanzend gras,
Hobbelige valleitjes en blanke stranden,
En gij, rotsen, ontvangers van mijn verzen,

Omdat zorgen en toorn mij bij mijn vertrek
Beletten afscheid te nemen van die mooie ogen,
Die mij in hun ban houden, van ver en van nabij.

Smeek ik u, hemel, lucht, winden, bergen en dalen,
Kreupelhout, wouden, oevers en wellend water,
Grotten, wei en bloemen: groet gij haar namens mij.

Vertaling: William Byrd Ensemble



Sure on this shining night

Morten Lauridsen

Sure on this shining night
Of starmade shadows round
Kindness must watch for me
This side the ground.
On this shining night.

The late year lies down the north
All is healed, all is health
High summer holds the earth
Hearts all whole
Sure on this shining night.

Sure on this shining night
I weep for wonder wand'ring far alone
Of shadows on the stars
Sure on this shining night.

Veilig in deze stralende nacht
Vol schaduwen door sterren geworpen,
Zal goedheid over mij waken
Hier op dit ondermaanse
In deze stralende nacht

Het noorden vlijt het najaar neer
Alles is geheeld, alles is voorspoed
Hoogzomer houdt de aarde
Alle ongeschonden harten
Alles is geheeld, alles is voorspoed

Veilig in deze stralende nacht
Ween ik van verwondering eenzaam ver dwalend
Over schaduwen op weg naar de sterren
Veilig in deze stralende nacht.

Vertaling: Bert Nieuwehuize


Cloudburst

Eric Whitacre

La lluvia
ojos de agua de sombra,
ojos de agua de pozo,
ojos de agua de sueño.
Soles azules, verdes remolinos
picos de luz que abren astros
como granadas.
Dime, tierra quemada, no hay agua?
Hay sólo sangre sólo hay polvo,
sólo pisadasde pies desnudos sobre la espina?

La lluvia despierta
Hay que dormir con los ojos abiertos,
Hay que sonar con las manos
Soñemos sueños activos de rio
Buscando su cause, sueños de sol soñando sus mundos
hay que soñar en voz alta,
hay que cantar
hasta que el canto eche
raíces, tronco, ramas,
hay que desenterrar la palabra perdida
recordar que dicen sangre, la marea,
la tierra y el cuerpo,
volver al punto de partida.

De regen…
Ogen van schaduw-water
ogen van wel-water,
ogen van droom-water.
Blauwe zonnen, groene wervelwinden,
vogelsnavels van licht pikken
sterren als een granaatappel open.
Maar zeg mij, verbrande aarde, is er geen water?
Alleen bloed, alleen stof,
Alleen naakte voetstappen op de doornen?
 
De regen ontwaakt …
We moeten slapen met open ogen,
we moeten dromen met onze handen,
we moeten de droom dromen van een rivier
die zijn loop volgt, van de zon die  zijn werelden droomt,
we moeten hardop dromen,
we moeten zingen
totdat het lied wortels krijgt,
stam, takken, vogels, sterren,
we moeten het verloren woord  zoeken,
en herinneren wat het bloed,
de getijden, de aarde, en het lichaam zeggen,
en terugkeren naar het punt van vertrek …

Vertaling: Bert Nieuwehuize


Blow, blow thou winter wind

John Rutter

Blow, blow thou winter wind,
Thou art not so unkind,
As man's ingratitude,

Thy tooth is not so keen,
Because thou art not seen,
Although thy breath be rude,

Heigh-ho! Sing heigh-ho! unto the green holly;
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then heigh-ho, the holly! This life is most jolly.

Freeze, freeze thou bitter sky,
That does not bite so nigh
As benefits forgot,

Thou the waters warp,
Thou sting is not so sharp
As friend remembered not

Heigh-ho! Sing heigh-ho! unto the green holly;
Most friendship is feigning, most loving mere folly:
Then heigh-ho, the holly! This life is most jolly.

Blaas, blaas, gij winter wind
Gij zijt niet zo onvriendelijk.
Zoals de ondankbaarheid van de mens.

Uw tand is niet zo scherp
Want U bent ongezien
Ofschoon uw adem ruw kan zijn.

Hei, ho! Zing hei ho! In de groene hulst
De meeste vriendschap wordt geveinsd
De meeste liefde louter dwaasheid
Dan hei ho, de hulst! Dit leven is veelal dwaasheid

Vries, vries, u bitter koude lucht
Die niet zo bijt
Zoals vergeten weldaden

Maar de kronkelingen van het water
Uw steek is niet zo scherp
Als een vergeten vriendschap

Hei, ho! Zing hei ho! In de groene hulst
De meeste vriendschap wordt geveinsd
De meeste liefde louter dwaasheid
Dan hei ho, de hulst! Dit leven is veelal dwaasheid

Vertaling: Koor Surplus