|
 |
 |
|
Teksten en vertalingen programma Shakespeare en Goethe, december 2011
|
|
Deze teksten en de vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat ook op papier met een nietje erdoor te koop is voorafgaand aan het concert voor € 1,00.
|
|
|
Wandrers Nachtlied
|
Nachtlied van een reiziger
|
|
Alphons Diepenbrock
|
|
Über allen Gipfeln ist Ruh,
In allen Wipfeln
Spürest du
Kaum einen Hauch;
Die Vögelein schweigen im Walde.
Warte nur, balde ruhest du auch.
Tekst: Johann Wolfgang von Goethe
|
Op alle bergtoppen ligt rust,
in alle boomkruinen
bespeur je
nauwelijks een zuchtje wind;
de vogeltjes zwijgen in het bos,
Wacht maar, weldra rust jij ook.
Vertaling: Eduard van Hengel
|
|
|
Proömion
|
Voorspel / inleidende zang
|
|
Ernst Pepping
|
|
Im Namen dessen, der Sich selbst erschuf
Von Ewigkeit in schaffendem Beruf;
In Seinem Namen, der den Glauben schafft,
Vertrauen, Liebe, Tätigkeit und Kraft;
In Jenes Namen, der, so oft genannt,
Dem Wesen nach blieb immer unbekannt:
So weit das Ohr, so weit das Auge reicht,
Du findest nur Bekanntes, das Ihm gleicht,
Und deines Geistes höchster Feuerflug
Hat schon am Gleichnis, hat am Bild genug; Es zieht dich an, es reißt dich heiter fort,
Und wo du wandelst, schmückt sich Weg und Ort;
Du zählst nicht mehr, berechnest keine Zeit,
Und jeder Schritt ist Unermeßlichkeit.
Tekst: Johann Wolfgang von Goethe
|
In naam van hem, die zich zelve schiep,
Een eeuwigheid uit roeping scheppende,
In zijn naam, die het geloof ons gaf,
Vertrouwen, liefde, arbeid, kracht,
In die naam, die, zo vaak genoemd,
Toch in wezen ons onbekend gebleven is:
Zo ver het oor, zo ver het oog ook reikt,
Je vindt alleen het reeds bekende, dat op hem lijkt,
En de hoogste vuurgloed van jouw fantasie
Heeft al aan die gelijkenis, aan het beeld genoeg.
Het trekt je aan, het sleurt je vrolijk voort,
En waar je wandelt, verrijkt zich weg en oord
Je telt niet meer, berekent niet de tijd, En elke stap is deel van de onmeet'lijkheid.
Vertaling: Hans van Hechten
|
|
|
Im Treibhaus
|
In the hothouse
|
|
Richard Wagner / arrangement: Clytus Gottwald
|
|
Hochgewölbte Blätterkronen,
Baldachine von Smaragd,
Kinder ihr aus fernen Zonen,
Saget mir, warum ihr klagt?
Schweigend neiget ihr die Zweige,
Malet Zeichen in die Luft,
Und der Leiden stummer Zeuge
Steiget aufwärts, süßer Duft.
Weit in sehnendem Verlangen
Breitet ihr die Arme aus,
Und umschlinget wahnbefangen
Öder Leere nicht'gen Graus.
Wohl, ich weiß es, arme Pflanze;
Ein Geschicke teilen wir,
Ob umstrahlt von Licht und Glanze,
Unsre Heimat ist nicht hier!
Und wie froh die Sonne scheidet
Von des Tages leerem Schein,
Hüllet der, der wahrhaft leidet,
Sich in Schweigens Dunkel ein.
Stille wird's, ein säuselnd Weben
Füllet bang den dunklen Raum:
Schwere Tropfen seh ich schweben
An der Blätter grünem Saum.
Tekst: Mathilde Wesendonck (1828-1902)
|
High-vaulted crowns of leaves,
Canopies of emerald,
You children of distant zones,
Tell me, why do you lament?
Silently you bend your branches,
Draw signs in the air,
And the mute witness to your anguish -
A sweet fragrance - rises.
In desirous longing, wide
You open your arms,
And embrace through insane predilection
The desolate, empty, horrible void.
I know well, poor plants,
A fate that we share,
Though we bathe in light and radiance,
Our homeland is not here!
And how gladly the sun departs
From the empty gleam of the day,
He veils himself, he who suffers truly,
In the darkness of silence.
It becomes quiet, a whispered stirring
Fills uneasily the dark room:
Heavy drops I see hovering
On the green edge of the leaves.
|
|
|
Lullaby
|
Wiegelied
|
|
Jaakko Mäntyjärvi
|
|
(The Fairies sing:)
You spotted snakes with double tongue,
Thorny hedgehogs, be not seen;
Newts and blind-worms, do no wrong,
Come not near our fairy queen.
Philomel, with melody
Sing in our sweet lullaby;
Lulla, lulla, lullaby, lulla, lulla, lullaby:
Never harm,
Nor spell nor charm,
Come our lovely lady nigh;
So, good night, with lullaby.
Weaving spiders, come not here; Hence, you long-legg'd spinners, hence!
Beetles black, approach not near;
Worm nor snail, do no offence.
Philomel, with melody,
Sing in our sweet lullaby.
Tekst: William Shakespeare (A Midsummer Night's Dream)
|
Jullie gevlekte slangen met dubbele tong,
Doornige stekelvarkens, zorg dat je niet wordt gezien.
Watersalamanders en hazelwormen, doe niets verkeerds;
Kom niet in de buurt van onze elvenkoningin.
Philomel, zing melodieus
in ons zoete wiegelied.
Niets kwaads,
geen bezweringsformule of tovermiddel,
mag onze lieftallige vrouwe overkomen.
Dus goede nacht, met een wiegelied.
Wevende spinnen, kom hier niet;
Weg van hier, jullie langbenige spinners, weg.
Zwarte torren, kom niet naderbij;
Worm of slak, hoe je koest.
Philomel, zing melodieus
in ons zoete wiegelied.
Vertaling: Pieter Nieuwint
|
|
|
Sonnet 43
|
|
Jurriaan Andriessen
|
|
When most I wink, then do mine eyes best see,
For all the day they view things unrespected;
But when I sleep, in dreams they look on thee,
And darkly bright are bright in dark directed.
Then thou, whose shadow shadows doth make bright, How would thy shadow's form form happy show
To the clear day with thy much clearer light,
When to unseeing eyes thy shade shines so!
How would, I say, mine eyes be blessed made
By looking on thee in the living day,
When in dead night thy fair imperfect shade
Through heavy sleep on sightless eyes doth stay!
All days are nights to see till I see thee,
And nights bright days when dreams do show thee me
Tekst: William Shakespeare
|
In diepste slaap pas onderscheid ik scherp,
Want heel de dag zie ik wat mij niet zint,
Maar van mijn droom ben jij het onderwerp
Dat ik, blind ziend, in mijn zwart blikveld vind.
Jij wiens afschaduwing het duister temt, Hoe blij zal van je schaduw 't wezen zijn
Bij dag, waarop je zoveel lichter bent, Als reeds je schim voor 't nietsziend oog zo schijnt!
Hoe heerlijk wordt mijn oog door jou gestreeld Wanneer ik je in 't levend licht hervind,
Nu in het duister zelfs je schaduwbeeld
Nog zichtbaar blijft als slaap het oog verblindt!
Mijn dag is nacht tot ik terug zal komen,
Mijn nacht dag als ik jou zie in mijn dromen.
Vertaling: Peter Verstegen (William Shakespeare Sonnetten, Van Oorschot, 1993)
|
|
|
Come away, Death
|
Kom nader, Dood
|
|
Jaakko Mäntyjärvi
|
|
Come away, come away, death,
And in sad cypress let me be laid.
Fly away, fly away, breath;
I am slain by a fair cruel maid.
My shroud of white, stuck all with yew,
O, prepare it!
My part of death, no one so true
Did share it.
Not a flower, not a flower sweet,
On my black coffin let there be strown.
Not a friend, not a friend greet
My poor corpse, where my bones shall be thrown.
A thousand thousand sighs to save,
Lay me, O, where
Sad true lover never find my grave,
To weep there!
Tekst: William Shakespeare (uit: Twelfth Night)
|
Kom nader, dood, en laat men mij
in treurig cypressenhout leggen;
Vlieg heen, adem, ik ben vermoord
door een schone, wrede maagd.
Mijn met taxus bezette witte doodskleed,
oh, maak het klaar;
De dood die mijn deel werd,
is door niemand echt gedeeld.
Laat geen welriekende bloem
op mijn zwarte doodkist gestrooid worden;
Laat geen vriend mijn arme lichaam groeten
waar mijn botten geworpen worden;
Leg me, om duizenden zuchten te besparen,
waar een bedroefde ware geliefde
nimmer mijn graf zal vinden,
om er te wenen.
Vertaling: Pieter Nieuwint
|
|
|
Double, double toil and trouble
|
Verdubbel gezwoeg en ellende
|
|
Jaakko Mäntyjärvi
|
|
A cavern. In the middle, a boiling cauldron.
Thunder. Enter the three Witches
First Witch:
Thrice the brinded cat hath mew'd.
Second Witch:
Thrice and once the hedge-pig whined.
Third Witch:
Harpier cries 'Tis time, 'tis time.
First Witch:
Round about the cauldron go; In the poison'd entrails throw.
Toad, that under cold stone
Days and nights has thirty-one Swelter'd venom sleeping got, Boil thou first i' the charmed pot.
ALL:
Double, double toil and trouble;
Fire burn, and cauldron bubble.
Second Witch:
Fillet of a fenny snake,
In the cauldron boil and bake;
Eye of newt and toe of frog,
Wool of bat and tongue of dog, Adder's fork and blind-worm's sting, Lizard's leg and owlet's wing,
For a charm of powerful trouble,
Like a hell-broth boil and bubble.
ALL:
Double, double toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.
Third Witch:
Scale of dragon, tooth of wolf, Witches' mummy, maw and gulf Of the ravin'd salt-sea shark, Root of hemlock digg'd i' the dark,
Liver of blaspheming Jew,
Gall of goat, and slips of yew Silver'd in the moon's eclipse, Nose of Turk and Tartar's lips,
Finger of birth-strangled babe Ditch-deliver'd by a drab,
Make the gruel thick and slab: Add thereto a tiger's chaudron,
For the ingredients of our cauldron.
ALL:
Double, double toil and trouble;
Fire burn and cauldron bubble.
Second Witch:
By the pricking of my thumbs,
Something wicked this way comes.
Open, locks,
Whoever knocks!
Tekst: William Shakespeare (uit MacBeth)
|
Een spelonk. In het midden een kookpot. Donder. Entree van de drie heksen.
Eerste heks:
Driemaal heeft de geel-bruine kat gemiauwd
Tweede heks:
En eenmaal heeft het stekelvarken gejankt
Derde heks:
Harpier roept: 't is tijd, 't is tijd
Eerste heks:
Verdubbel gezwoeg en ellende
Ga rond de kookpot,
Gooi er vergiftigde ingewanden in;
Een pad die dertig dagen en nachten
onder een koude steen heeft geslapen,
Waarbij het venijn uit al zijn poriën kwam,
Kook het in de betoverde pot.
Allen:
Verdubbel gezwoeg en ellende
Laat het vuur branden en de kookpot borrelen.
Tweede heks:
Een plak moerasslang
Gooi het in de pot en kook het,
Salamanderoog en kikkerteen,
Vleermuisvacht en hondentong.
Gevorkte addertong en giftand van de hazelworm,
Hagedissenpoot en uilenvleugel.
Voor een tovermiddel dat voor veel ellende zorgt,
Kook en borrel als een hels soepje.
Allen:
Verdubbel gezwoeg en ellende
Laat het vuur branden en de kookpot borrelen.
Derde heks:
Drakenschub en wolventand,
Heksenmummie, muil en maag van een
hongerige haai in de zoute zee,
Wortel van de dollekervel, opgegraven in het donker,
Lever van de godslasterlijke jood,
Geitengal en stekje van de taxusboom,
Afgesneden bij maansverduistering,
Turkenneus en Tartarenlippen,
Vinger van een bij de geboorte gewurgde baby,
In een sloot gebaard door een slons.
Maak de watergruwel dik en taai,
Voeg er nog wat tijgerdarm aan toe,
Als ingrediënten voor onze kookpot.
Allen:
Verdubbel gezwoeg en ellende
Laat het vuur branden en de kookpot borrelen.
Tweede heks:
Het getintel in mijn duimen
Zegt me dat er onheil aankomt.
Open de deuren,
wie er ook klopt!
Vertaling: Pieter Nieuwint
|
|
|
Anklang
|
Weerklank
|
|
Ernst Pepping
|
|
Huri:
Draußen am Orte,
Wo ich dich zuerst sprach,
Wacht ich oft an der Pforte,
Dem Gebote nach.
Da hört ich ein wunderlich Gesäusel,
Ein Ton- und Silbengekräusel;
Das wollte herein, Niemand aber ließ sich sehen,
Da verklang es klein zu klein;
Es klang aber fast wie deine Lieder,
Das erinnr ich mich wieder.
Dichter:
Ewig Geliebte! wie zart
Erinnerst du dich deines Trauten!
Was auch in irdischer Luft und Art
Für Töne lauten,
Die wollen alle herauf;
Viele verklingen da unten zu Hauf;
Andere mit Geistes Flug und Lauf,
Wie das Flügel-Pferd des Propheten,
Steigen empor und flöten
Draußen an dem Tor.
Kommt deinen Gespielen so etwas vor, So sollen sie's freundlich vermerken,
Das Echo lieblich verstärken,
Daß es wieder hinunter halle,
Und sollen Acht haben, Daß in jedem Falle,
Wenn er kommt, seine Gaben
Jedem zugute kommen:
Das wird beiden Welten frommen.
Sie mögen's ihm freundlich lohnen,
Auf liebliche Weise fügsam;
Sie lassen ihn mit sich wohnen:
Alle Guten sind genügsam.
Du aber bist mir beschieden, Dich laß ich nicht aus dem ewigen Frieden;
Auf die Wache sollst du nicht ziehn.
Schick eine ledige Schwester dahin!
Tekst: Johann Wolfgang von Goethe
|
Hoeri: (eeuwig jong blijvende maagd met gazelleogen in het paradijs)
Daarbuiten op de plek
Waar ik je voor de eerste maal sprak
Waakte ik vaak aan de poort
Zoals mij werd gelast.
Daar hoorde ik een wonderlijk zacht ruisen
Een rimpeling van toon en lettergreep,
Die wilde naar binnen.
Maar niemand liet zich zien,
Daar stierf het weg, kleiner en kleiner;
Maar het klonk bijna als jouw verzen,
Dat herinner ik mij weer.
Dichter:
Eeuwig geliefde! Hoe zacht
Herinner jij je jouw minnaar!
Wat er ook, in aardse lucht en op aardse wijze,
Voor tonen klinken,
Ze willen alle omhoog;
Vele sterven weg daar beneden in dichte drom.
Andere met de vlucht en loop van een geest
Zoals het gevleugelde paard van de profeet,
Stijgen omhoog en fluiten
Daarbuiten bij de poort.
Overkomt jouw speelgenoten iets soortgelijks,
Laten zij het vriendelijk bemerken,
De echo lieflijk versterken,
Dat het opnieuw beneden weerklinkt,
En erop zullen passen,
Dat, in elk geval,
Als hij komt, zijn gaven
Een ieder ten goede zullen komen;
Dat het beide werelden zal baten.
U kunt hem vriendelijk belonen,
Op lieflijke wijze en passend,
En hem bij u laten wonen:
Alle goede mensen zijn met weinig tevreden.
Maar jij bent mij ten deel gevallen,
Ik laat je niet gaan uit de eeuwige vrede;
Je zult niet op wacht staan.
Stuur daarheen een ongehuwde zuster.
uit: West-oostelijke divan (divan: oosterse dichtbundel), boek van het paradijs.
|
|
|
Herbstgefühl
|
Herfstgevoel
|
|
Ernst Pepping
|
|
Fetter grüne, du Laub',
Am Rebengeländer
Hier mein Fenster herauf!
Gedrängter quellet,
Zwillingsbeeren, und reifet
Schneller und glänzend voller!
Euch brütet der Mutter Sonne
Scheideblick, euch umsäuselt
Des holden Himmels
Fruchtende Fülle;
Euch kühlet des Mondes
Freundlicher Zauberhauch,
Und euch bethauen, ach!
Aus diesen Augen
Der ewig belebenden Liebe
Vollschwellende Tränen.
Tekst: Johann Wolfgang von Goethe
|
Groei zwaarder, o loof,
Aan de druivenrank
Hier langs mijn venster omhoog.
Welt nog dichter op,
Dubbele bessen, en komt tot rijping
Sneller en glanzend voller!
Op u broedt de afscheidsblik van moeder zon.
Rondom u ruist de bevruchtende volheid
Van de lieflijke hemel.
U koelt de vriendelijke
en betoverende adem
van de maan.
En u wordt bedauwd, ach,
Door de uit deze ogen
Opwellende tranen
Van de eeuwig leven gevende liefde.
Vertaling: Hans van Hechten
|
|
|
Sonnet 64
|
|
Dominick Argento
|
|
When I have seen by Time's fell defac'd
The richproud cost of outworn burried age; sometime lofty towers I see down ras'd,
and bras eternal, slave to mortal rage:
When I have seen the hungry ocean again
Advantage on the kingdom of the shore Ans the firm soil win of the wat'ry main,
Increasing store with loss. and loss with store;
When I have seen such interchange of state,
state itself confounded to decay;
Ruin hath taught me thus to ruminate
That Time will come and take my love away.
This thought is as a death, which cannot choose
But weep to have that which it fears to lose
Tekst: William Shakespeare
|
Als 'k door Tijds hand hardvochtig zie vergaan
De pronk en rijkdom van verstorven dagen,
Of eeuwig brons door mensendrift verdaan
En ook de hoogste trans in puin geslagen;
Als ik de diepzee zie die watertandt Naar 't kustrijk en zich met die prijs vermeert, Of 't zilte nat verjaagd door vasteland,
Want winst groeit uit verlies en omgekeerd; Als 'k ieders staat zo vaak al zag verkeren
En hoe de staat zelf prooi is van verval,
Moest ik van zoveel ondergang wel leren:
De Tijd komt die mijn liefste halen zal.
Fataal idee dat mij slechts tranen laat
Om een bezit dat toch verloren gaat.
Vertaling: Peter Verstegen - William Shakespeare Sonnetten, Van Oorschot, 1993
|
|
|
Full Fathom Five
|
Vijf vadem diep
|
|
Jaakko Mäntyjärvi
|
|
Full fathom five thy father lies;
Of his bones are coral made;
Those are pearls that were his eyes:
Nothing of him that doth fade
But doth suffer a sea-change
Into something rich and strange.
Sea-nymphs hourly ring his knell:
Ding-dong.
Hark! now I hear them,--ding-dong, bell.
Tekst: William Shakespeare (Uit: The Tempest)
|
Vijf vadem diep ligt uw vader;
Van zijn botten is koraal gemaakt;
Dat daar zijn parels die zijn ogen waren:
Niets is er van hem dat verdwijnt,
want alles wordt door de zee veranderd
in iets rijks en vreemds.
Ieder uur luiden de zeenimfen zijn doodsklok:
Ding-dong.
Luister! Nu hoor ik ze: ding-dong, de klok.
Vertaling: Pieter Nieuwint
|
|
|
Dämmerung
|
Schemering
|
|
Alphons Diepenbrock
|
|
Dämmerung senkte sich von oben, Schon ist alle Nähe fern;
Doch zuerst emporgehoben
Holden Lichts der Abendstern! Alles schwankt in's Ungewisse,
Nebel schleichen in die Höh';
Schwarzvertiefte Finsternisse
Widerspiegelnd, ruht der See.
Nun im östlichen Bereiche
Ahn' ich Mondenglanz und Glut,
Schlanker Weiden Haargezweige Scherzen auf der nächsten Flut.
Durch bewegter Schatten Spiele Zittert Luna's Zauberschein,
Und durch's Auge schleicht die Kühle
Sänftigend ins Herz hinein.
Tekst: Johann Wolfgang von Goethe
|
Schemering daalde neer,
Weldra is alle nabijheid ver;
Maar de avondster, als eerste opgegaan,
Licht vriendelijk op!
Alles verkeert in het ongewisse,
Nevels kruipen omhoog;
Diepzwarte duisternis weerspiegelend
Rust het meer.
Daar in oostelijke richting
Vermoed ik het schijnsel van de maan, Slanke, fijnvertakte wilgen werpen
Schertsende schaduwen op het nabije water.
Door beweeglijk schaduwspel Trilt Luna's betoverend schijnsel,
En de koelte, die door de ogen
Naar binnen dringt, brengt het hart tot bedaren.
|
|
|
Song for Athene
|
Lied voor Athene
|
|
John Tavener
|
|
Alleluia. May flights of angels sing thee
to thy rest.
Alleluia. Remember me,
O Lord, when you come into your kingdom.
Alleluia. Give rest, O Lord, to your handmaid, who has fallen asleep.
Alleluia. The Choir of Saints have found the well-spring of life and door of Paradise.
Alleluia. Life: a shadow and a dream.
Alleluia. Weeping at the grave creates the song: Alleluia. Come, enjoy rewards and crowns I have prepared for you.
Alleluia.
Tekst: William Shakespeare (Uit: Hamlet) en uit Orthodoxe begrafenisrite
|
Halleluja. Mogen engelenscharen je naar
je rustplaats zingen.
Gedenk, mij, Heer,
wanneer u uw koninkrijk betreedt.
Geef rust, Heer,
aan uw dienstmaagd die in slaap gevallen is.
Het koor der heiligen heeft de bron van het leven
en de toegang tot het paradijs gevonden.
Het leven: een schaduw en een droom.
Het wenen bij het graf schept een lied: halleluja.
Kom, geniet de beloning
en de kronen die ik u heb bereid.
Halleluja.
Vertaling: Pieter Nieuwint
|
|
|