|
Toen Frank Martin zijn prachtige 8-stemmige Mis voor dubbelkoor had voltooid, legde hij de compositie in een la. "Ik wilde niet dat het werk zou worden uitgevoerd", verklaarde hij later. "Ik vond het een zaak tussen God en mijzelf".
Vocoza zingt muziek die probeert de eeuwigheid te overbruggen. In de Mis voor dubbelkoor legt Martin een zeer persoonlijke geloofsbelijdenis af, niet bestemd voor andermans oren. In Mahlers Ich bin der Welt abhanden gekommen bevinden we ons in een stil gebied tussen leven en dood.
De Vier Marialiederen van Martinů zijn bidprentjes, waarin met de naïviteit van een kind naar het leven van Maria wordt gekeken. En in Drie Psalmen van Felix Mendelssohn onderwerpen we ons aan de toornige God van het Oude Testament.
Felix Mendelssohn (18091847): Drei Psalmen, opus 78 (1843-44)
In het veelzijdige werk van Felix Mendelssohn Bartholdy neemt de geestelijke muziek een belangrijke plaats in. Naast de twee oratoria Paulus en Elias schreef hij een grote hoeveelheid cantates, motetten en andere liturgische muziek. Opvallend is hierbij het grote aantal verklankingen van psalmteksten en het veelvuldige gebruik van de 'tijdloze' bezetting van koor a capella. Deze twee elementen komen op meesterlijke wijze samen in de Drei Psalmen opus 78, welke hij eind 1843 tot begin 1844 schreef voor het Berlijnse Domkoor, waar hij zijn afnemende krachten vooral gebruikte voor het componeren van motetten en psalmzettingen.
De 3 Psalmen werden pas na zijn dood, in 1849 gepubliceerd. Deze meesterwerken behoren tot Mendelssohns grootst opgezette a capella composities. Ze gebruiken de ambitieuze bezetting van een achtstemmig dubbelkoor. Het eerste nummer, Warum toben die Heiden, is een episch aangelegde vertoning van Psalm 2. De dubbelkorigheid van Richte mich Gott (Psalm 43) is niet 'verticaal', zoals bij Bach (twee identieke koren met een sopraan-, alt-, tenor- en baspartij), maar in de regel 'horizontaal’, met een vrouwenkoor (twee sopraan- en twee altpartijen) en een mannenkoor (twee tenor- en twee baspartijen). De tekst van deze psalm - met frases als “Was betrübst du dich, meine Seele, und bist so unruhig in mir” - werd traditioneel met de passietijd geassocieerd (wat trouwens ook voor opus 78 nr. 3, Mein Gott, warum hast du mich verlassen? gold).
Mendelssohn componeerde Richte mich, Gott in een directe, homofone wijze, met diverse unisono-passages voor zowel de mannen als de vrouwen. Het motet opent met een alterneren van beide groepen in een somber d-klein; die komen pas samen bij de woorden “Sende dein Licht und deine Wahrheit”, een lichtstraal van hoop in F-groot. Mannen en vrouwen zingen eerst nog een maat na elkaar om tenslotte aan het einde zich te verenigen tot een gezamenlijk gebed. Bij de woorden “Dass ich hineingehe zum Altar Gottes, zu dem Gott, der meine Freude und Wonne ist” wisselt Mendelssohn op een Bachachtige manier van metrum: de vierkwartsmaat wordt een soepele 3/8-maat. De “Freude und Wonne” maakt echter al weer snel plaats voor twijfel en een terugkeer naar de somberheid van het begin (“Was betrübst du dich, meine Seele...”). Het psalmmotet besluit koraalachtig in een stralend D-groot.
Mendelssohns zetting van Psalm 22, Mein Gott, warum hast du mich verlassen?, gecomponeerd in 1844 en het langste van de drie Psalmen, was zeer populair in de tweede helft van de 19e eeuw. Dit gold overigens voor al zijn kerkmuziek; vooral in Engeland werd deze zeer veel uitgevoerd. Het imposante begin van de Psalm ontleent zijn dramatische effect aan de afwisseling van een solo tenor met een reeks koraalzettingen voor het hele koor. In het gedeelte dat begint met “Ich bin ausgeschüttet”, wordt dit contrast verder benadrukt, door een solokwartet tegenover het koor te zetten. Let in dit deel ook op het prachtige moment wanneer de muziek naar de majeur-hoofdtoonsoort (E) moduleert bij de tedere smeekbede “Aber du, Herr, sei nicht ferne”. Ook de slotmaten van het stuk baden in een weldadig E-groot.
Bohuslav Martinů (1890-1959): Vier Marialiederen (Čtyři písně o Marii)(1934)
Alle koormuziek van Bohuslav Martinů (1890-1959) komt uit twee inspiratiebronnen: Liederen en rijmpjes van het gewone Tsjechische volk (Prostonárodní české písně a říkadla), een bundel volkspoëzie uit Bohemen en Moravië verzameld door Karel Jaromír Erben en een vergelijkbare collectie uit Moravië, verzameld door Frantisˇek Susˇil. Deze twee standaardwerken begeleidden Martinu˚ op zijn reizen rond de wereld: van Tsjechoslowakije naar Frankrijk, van daar naar de Verenigde Staten en weer terug naar Europa. Voor hem waren beide collecties een bron van aanmoediging en hoop. Ze gaven hem het gevoel werkelijk thuis te horen in het milieu van zijn geboortestreek. Als zoon van de klokkenluider van Policˇka schijnt hij een aanzienlijk deel van zijn jeugd in de klokkentoren doorgebracht te hebben, uitkijkend over het Boheemse landschap.
De wereldoorlogen dreven hem naar Frankrijk en uiteindelijk Amerika, waarbij hij invloeden van Stravinsky en jazz verwerkte in veel van de bijna 400 composities die hij op zijn naam heeft staan. Maar juist in de grote cosmopolitische smeltkroezen van Parijs en New York beschermde zijn affiniteit met de volksmuziek uit Bohemen en Moravië, die hij sinds de jaren ’30 systematisch bestudeerde, hem tegen het verwateren van zijn eigen idioom. Zijn koormuziek wordt gekenmerkt door haar pretentieloosheid. Zij weigert monumentaal of opzichtig te worden en is altijd intiem als kamermuziek.
De Vier Marialiederen (1934) behoren tot de vroegste voorbeelden van Martinů’s folkloristische inspiratie. Ze zijn puur en devoot getoonzet volgens middeleeuwse regels van eenvoud. De componist grijpt in deze stukken terug op oude technieken uit de middeleeuwse muziek: het gebruik van parallelle stemmen en homofonie, een type meerstemmigheid, waarbij een van de stemmen de melodie voert terwijl de andere een begeleidende, opvullende functie heeft.
Gustav Mahler (1860-1911)/Clytus Gottwald (1925): Ich bin der Welt abhanden gekommen (1901/1983)
Mahlers Ich bin der Welt abhanden gekommen ontstond in 1901, het jaar waarin hij in het huwelijk trad met Alma Schindler. Ongeveer gelijktijdig kwam de Vijfde Symfonie tot stand, waarvan het befaamde Adagietto dezelfde sfeer ademt als het lied. Het wordt algemeen als Mahlers prachtigste lied beschouwd.
Ich bin der Welt wordt meestal uitgevoerd in samenhang met 4 andere liederen op teksten van Friedrich Rückert (de Rückert-Lieder), hoewel ze geen echte cyclus met een overkoepelend thema vormen (zoals de Kindertotenlieder, ook op teksten van Rückert).
Er bestaat zowel een versie met pianobegeleiding als een georkestreerde versie van het lied. Het is deze laatste, met zijn rijke orkestratie, die door arrangeur Gottwald is gebruikt voor de door Vocoza gezongen 16-stemmige koorversie. Clytus Gottwald (1925) is een Duitse koordirigent. Hij is de oprichter en dirigent van de Schola Cantorum uit Stuttgart, een koor dat vele premières op zijn naam heeft staan van nieuwe muziek van o.a. Boulez en Ligeti.
Nog bekender is Gottwald als arrangeur van liederen en instrumentale werken voor koor. Zo bewerkte hij niet alleen liederen van Ravel, Debussy, Wolf en Berg maar ook een deel uit een pianosonate van Chopin voor kooruitvoering. Mahlers Ich bin der Welt abhanden gekommen is met afstand zijn beroemdste bewerking en staat inmiddels op het repertoire van vele (top)koren.
Frank Martin (1890-1974) Mis voor dubbelkoor (1922/26)
De Mis voor dubbelkoor uit 1922 van Frank Martin wordt tegenwoordig gezien als één van de beste werken van deze componist en bovendien als één van de mooiste koorwerken van de 20e eeuw. Dit diep emotionele en zeer persoonlijke werk werd door Martin veertig jaar in een la bewaard. Pas in 1963 werd het stuk voor het eerst uitgevoerd en gepubliceerd, op aandringen van Franz Brunnert, dirigent van de Burgenhagen Kantorei uit Hamburg, die de Mis in première bracht. Waarom een dergelijk meesterwerk in een bureaula verstoppen?
Het antwoord op deze vraag is te vinden in het sterke christelijke geloof van Martin. Hij kwam uit een calvinistisch domineesgezin en religieuze thema’s vormen de basis van veel van zijn muziek, zowel van de vocale muziek als van de instrumentale werken. Een dergelijk alomvattend, altijd aanwezig geloof deed hem ertoe besluiten dat een publieke uitvoering van een kunstwerk dat de essentie uitdrukt van het christendom gelijkstaat aan godslastering. Zoals hij ten tijde van de première schreef: “Ik wilde niet dat het werk zou worden uitgevoerd ... Ik vond het een zaak tussen God en mijzelf … Het voelde voor mij destijds dat een uiting van religieuze gevoelens geheim moest blijven en weggehouden moest worden van de publieke opinie.”
Er was nog een reden voor Martin om terughoudend te zijn bij het uitvoeren van de Mis. Toen hij tien was hoorde hij een uitvoering van Bachs Matthäus Passion, een concert dat hem zo aangreep dat hij ter plekke besloot om zijn leven aan muziek te wijden. Maar het genie van Bach werkte niet alleen stimulerend maar ook intimiderend. Martin bleef zijn hele leven overtuigd dat zijn eigen werken alleen maar aanmatigend zouden overkomen in vergelijking met de muziek van Bach.
Met zijn calvinistische achtergrond was Martin niet grootgebracht in de Rooms-Katholieke traditie van de gezongen mis, met zijn bijbehorende gregoriaanse melodieën. Maar hoewel Martins Mis geen gregoriaans bevat, is de invloed ervan duidelijk hoorbaar in de kronkelende melodie van de alten, aan het begin van het Kyrie. Melodieën, veelal antifonaal oftewel dubbelkorig gezongen, vloeien in en uit elkaar in een stromende reeks gebeden. Het kalme, tedere begin van het Gloria, waarbij de stemmen op elkaar gestapeld worden alsof in opperste bewondering, leidt tot een deel waarin Martins grote fascinatie met ritme tot uitdrukking komt in veelvuldige maatwisselingen en het gebruik van onverwachte accenten (syncopen). De muziek bij de woorden “et incarnatus est” in het Credo was Martin zeer lief. Het Credo, de geloofsbelijdenis, werd door hem zeer bondig gecomponeerd. Die bondigheid leidt ertoe dat alle vijf delen van de Mis ongeveer dezelfde lengte hebben. Let in dit Credo op de subtiele tekstuitbeelding, zoals bij de stralende climax op “lumen de lumine”. “Et resurrexit”, in canon gezongen, is werkelijk extatisch maar het in essentie intieme karakter van de Mis komt hier duidelijk naar voren: de extase moet “dolce” en “piano” gezongen worden. Boven een teder wiegend harmonisch kussen van tenoren en bassen zingen de sopranen, steeds dwingender, het woord Sanctus. Na een stuwende zetting van het Benedictus eindigt dit deel met een van de weinige fortissimo-passages.
En hier eindigde de Mis in 1922. In 1926 haalde Martin het werk echter weer tevoorschijn. Hij voegde een ontroerend Agnus Dei toe, waarbij de twee koren in essentie als twee verschillende entiteiten worden behandeld. Het tweede koor houdt een vast ritme aan terwijl het eerste koor, unisono, terugkeert naar het vrije, vloeiende, quasi-gregoriaanse idioom van het Kyrie. Pas bij de laatste aanroeping van vrede komen beide koren weer samen en eindigt dit werk van onvergankelijke schoonheid. (bron: Marc Rochester, Hyperion Records)
Toelichting op de titel van het programma
Tussen mij en God, de titel van het huidige programma, is een bijna letterlijk citaat van de componist Frank Martin, wiens prachtige Mis voor dubbelkoor wij vanavond voor u gaan zingen. Deze Mis werd door Martin veertig jaar lang verborgen gehouden, omdat hij de muziek te persoonlijk achtte om aan de openbaarheid prijs te geven, een zaak “tussen God en mijzelf…”
Frank Martin componeerde muziek die op heel persoonlijke wijze uitdrukking gaf aan zijn verhouding met God. Hij zond als het ware een prachtig gebed op dat niet bestemd was voor andermans oren.
Dit beeld is het uitgangspunt geweest bij het bedenken van de titel van dit programma. Iedere componist van wie u vanavond de muziek gaat beluisteren, heeft op geheel eigen wijze muzikale invulling gegeven aan zijn verhouding met “God” of de “eeuwigheid” of welke namen we ook geven aan deze grote begrippen. De componist verklankt in naam van de hele mensheid dit verlangen naar een antwoord, naar eeuwig leven, naar zingeving. De eenzame ziel in Mahlers Ich bin der Welt abhanden gekommen staat met zijn zoektocht symbool voor ons verlangen om te begrijpen, te weten, rust te vinden.
Daarom is voor de titel van het programma de volgorde van de woorden uit het citaat van Frank Martin omgedraaid. We kijken “omhoog” voor een antwoord op onze vragen, soms vol vertrouwen, soms twijfelend of zelfs angstig. Ieder individu stelt zijn of haar eigen vraag. Die vraag begint dus bij “mij” en wordt gesteld aan…. Voor velen is dat “God”, veel anderen gaan bij zichzelf te rade voor een antwoord. Niet iedereen krijgt antwoord, maar aan het stellen van de vraag ontkomt niemand. (Marten Jan Geertsema)
|