|
|
 |
 |
|
Teksten en vertalingen programma Tussen mij en God, mei 2011
|
|
Deze teksten en de vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat ook op papier met een nietje erdoor te koop is voorafgaand aan het concert voor € 1,00.
|
|
|
Drei Psalmen, opus 78
|
|
Felix Mendelssohn (18091847)
|
|
Der zweite Psalm “Warum toben die Heiden”
|
|
Warum toben die Heiden,
und die Leute reden so vergeblich?
Die Könige im Lande lehnen sich auf,
und die Herr’n rathschlagen mit einander
wider den Herrn und seinen Gesalbten.
Laßt uns zerreißen ihre Bande,
und von uns werfen ihre Seile!
Aber der im Himmel wohnet, lachet ihrer,
und der Herr spottet ihrer.
Er wird einst mit ihnen reden in seinem Zorn,
und mit seinem Grimm wird er sie schrecken.
Aber ich habe meinen König eingesetzt
auf meinem heiligen Berge Zion.
Ich will von einer solchen Weise predigen,
daß der Herr zu mir gesagt hat:
Du bist mein Sohn, heute hab’ ich dich gezeuget;
heische von mir, so will ich dir die Heiden
zum Erbe geben, und der Welt Ende zum Eigenthum.
Du sollst sie mit eisernem Scepter zerschlagen,
wie Töpfe sollst du sie zerbrechen.
So lasset euch nun weisen, ihr Könige,
und lasset euch züchtigen, ihr Richter auf Erden.
Dienet dem Herrn mit Furcht,
und freuet euch mit Zittern!
Küsset den Sohn, daß er nicht zürne,
und ihr umkommet auf dem Wege,
denn sein Zorn wird bald anbrennen,
aber wohl allen, die auf ihn trauen.
Ehre sei dem Vater, und dem Sohne, und dem heiligen Geiste.
Wie es war von Anfang, jetzt und immerdar,
und von Ewigkeit zu Ewigkeit.
Amen!
Psalm 2
|
1 Waartoe leidt het woeden van de volken,
het rumoer van de naties? Tot niets.
2 De koningen van de aarde komen in verzet,
de wereldmachten spannen samen
tegen de HEER en zijn gezalfde:
3 ‘Wij moeten hun juk afwerpen,
ons van hun boeien bevrijden.’
4 Die in de hemel troont lacht,
de Heer spot met hen.
5 Dan spreekt hij tot hen in woede,
en zijn toorn verbijstert hen:
6 ‘Ikzelf heb mijn koning gezalfd,
op de Sion, mijn heilige berg.’
7 Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken.
Hij sprak tot mij:
‘Jij bent mijn zoon, ik heb je vandaag verwekt.
8 Vraag het mij en ik geef je de volken in bezit,
de einden der aarde in eigendom.
9 Jij kunt ze breken met een ijzeren staf,
ze stukslaan als een aarden pot.’
10 Daarom, koningen, wees verstandig,
wees gewaarschuwd, leiders van de aarde.
11 Onderwerp u, toon de HEER uw ontzag,
breng hem bevend uw hulde.
12 Bewijs eer aan zijn zoon met een kus,
anders ontvlamt zijn woede, en uw weg loopt dood,
want bij het geringste ontsteekt hij in toorn.
Gelukkig wie schuilen bij hem.
Ere zij de Vader en de Zoon, en de Heilige Geest.
Zoals het was in den beginne, nu en immer,
en van Eeuwigheid tot Eeuwigheid.
Amen.
|
|
|
Der dreiundvierzigste Psalm “Richte mich, Gott”
|
|
Richte mich, Gott, und führe meine Sache
wider das unheilige Volk,
und errette mich von den falschen und bösen Leuten.
Denn du bist der Gott meiner Stärke,
warum verstößest du mich?
Warum lässest du mich so traurig geh’n,
wenn mein Feind mich drängt?
Sende dein Licht und deine Wahrheit,
daß sie mich leiten
zu deinem heiligen Berge,
und zu deiner Wohnung,
daß ich hineingehe zum Altar Gottes, zu dem Gott,
der meine Freude und Wonne ist,
und dir, Gott, auf der Harfe danke, mein Gott.
Was betrübst du dich, meine Seele,
und bist so unruhig in mir?
Harre auf Gott!
denn ich werde ihm noch danken,
daß er meines Angesichts Hülfe, und mein Gott ist.
Psalm 43
|
1 Verschaf mij recht, o God,
vecht voor mijn zaak.
Bescherm mij tegen een liefdeloos volk, vol list en bedrog.
2 U bent toch mijn God, mijn toevlucht,
waarom wijst u mij af,
waarom ga ik gehuld in het zwart,
door de vijand geplaagd?
3 Zend uw licht en uw waarheid,
laten zij mij geleiden
en brengen naar uw heilige berg,
naar de plaats waar u woont.
4 Dan zal ik naderen tot het altaar van God,
tot God, mijn hoogste vreugde.
Dan zal ik u loven bij de lier, God, mijn God.
5 Wat ben je bedroefd, mijn ziel,
en onrustig in mij.
Vestig je hoop op God,
eens zal ik hem weer loven,
mijn God die mij ziet en redt.
|
|
|
Der zweiundzwanzigste Psalm “Mein Gott, warum hast du mich verlassen?”
|
|
Mein Gott, warum hast du mich verlassen?
Ich heule, aber meine Hülfe ist fern.
Mein Gott, des Tages rufe ich, so antwortest du nicht;
und des Nachts schweige ich auch nicht.
Aber du bist heilig,
der du wohnest unter dem Lobe Israels.
Unsre Väter hofften auf dich,
und da sie hofften, halfest du ihnen aus.
Zu dir schrieen sie, und wurden errettet,
sie hofften auf dich, und wurden nicht zu Schanden.
Ich aber bin ein Wurm, und kein Mensch,
ein Spott der Leute, und Verachtung des Volks.
Alle, die mich sehen, spotten meiner,
sperren das Maul auf, und schütteln den Kopf:
Er klage es dem Herrn, der helfe ihm aus,
und errette ihn, hat er Lust zu ihm.
Ich bin ausgeschüttet wie Wasser,
alle meine Gebeine haben sich getrennt.
Mein Herz ist in meinem Leibe wie zerschmolzenes Wachs,
meine Kräfte sind vertrocknet wie eine Scherbe,
und meine Zunge klebt am Gaumen,
und du legst mich in des Todes Staub.
Denn Hunde haben mich umgeben,
und der Bösen Rotte hat sich um mich gemacht.
Sie haben meine Hände und Füße durchgraben.
Sie theilen meine Kleider unter sich,
und werfen das Loos um mein Gewand.
Aber du, Herr, sei nicht ferne.
Meine Stärke eile mir zu helfen,
errette meine Seele vom Schwert;
meine Einsame von den Hunden.
Hilf mir aus dem Rachen des Löwen,
und errette mich von den Einhörnern.
Ich will deinen Namen predigen meinen Brüdern,
ich will dich in der Gemeinde rühmen.
Rühmet den Herrn, die ihr ihn fürchtet!
Es ehre ihn aller Same Jacobs,
und vor ihm scheue sich aller Same Israels,
denn er hat nicht verachtet noch verschmäht
das Elend des Armen,
und sein Antlitz nicht vor ihm verborgen,
und da er zu ihm schrie, hörte er es.
Dich will ich preisen in der großen Gemeinde,
ich will meine Gelübde bezahlen vor denen, die ihn fürchten.
Die Elenden sollen essen, daß sie satt werden,
und die nach dem Herrn fragen, werden ihn preisen;
euer Herz soll ewiglich leben.
Es werde gedacht aller Welt Ende,
daß sie sich zum Herrn bekehren,
und vor ihm anbeten alle Geschlechter der Heiden.
Denn der Herr hat ein Reich,
und er herrscht unter der Heiden.
Psalm 22: 1 8, 14 16, 18 28
|
2 Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?
U blijft ver weg en redt mij niet, ook al schreeuw ik het uit.
3 ‘Mijn God!’ roep ik overdag, en u antwoordt niet,
’s nachts, en ik vind geen rust.
4 U bent de Heilige,
die op Israëls lofzangen troont.
5 Op u hebben onze voorouders vertrouwd;
zij hebben vertrouwd en u verloste hen,
6 tot u geroepen en zij ontkwamen,
op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.
7 Maar ik ben een worm en geen mens,
door iedereen versmaad, bij het volk veracht.
8 Allen die mij zien, bespotten mij,
sperren hun muil naar mij open en schudden meewarig het hoofd:
15 Als water ben ik uitgegoten,
mijn gebeente valt uiteen,
mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf.
16 Mijn kracht is droog als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte,
u legt mij neer in het stof van de dood.
18 Ik kan al mijn beenderen tellen.
Zij kijken vol leedvermaak toe,
19 verdelen mijn kleren onder elkaar
en werpen het lot om mijn mantel.
20 HEER, houd u niet ver van mij,
mijn sterkte, snel mij te hulp.
21 Bevrijd mijn ziel van het zwaard,
mijn leven uit de greep van die honden.
22 Red mij uit de muil van de leeuw,
bescherm mij tegen de horens van de wilde stier.
U geeft mij antwoord.
23 Ik zal uw naam bekendmaken,
u loven in de kring van mijn volk.
24 Loof hem, allen die de HEER vrezen,
breng hem eer, kinderen van Jakob,
wees beducht voor hem, volk van Israël.
25 Hij veracht de zwakke niet,
verafschuwt niet wie wordt vernederd,
hij wendt zijn blik niet van hem af,
maar hoort zijn hulpgeroep.
26 Van u komt mijn lofzang in de kring van het volk,
mijn geloften los ik in bij wie u vrezen.
27 De vernederden zullen eten en worden verzadigd.
Zij die hem zoeken, brengen lof aan de HEER.
Voor altijd mogen jullie leven!
28 Overal, tot aan de einden der aarde,
zal men de HEER gedenken en zich tot hem wenden.
Voor u zullen zich buigen alle stammen en volken.
|
|
|
Vier Marialiederen (Čtyři písně o Marii) (1934)
|
|
Bohuslav Martinů (1890-1959)
|
|
I. Zvěstování
|
De aankondiging
|
|
Stála panenka Maria
jako růžička červená.
Přišeltě k ní anděl Páně,
dal pozdravení té Panně.
Ta Panenka se ulekla,
Hned na svákolínka kleka.
Nelekej se, Panno čistá,
Máš porodit Pána Krista.
Pána porodila, žádné bolesti
neměla, neměla.
Pán Kristus je malé dítě
a on chodí všem světě.
|
De maagd Maria die daar stond
Was als een roos zo bekoorlijk.
De engel van de Heer kwam aangevlogen
en bracht Onze Lieve Vrouwe een lieftallige groet.
De geschrokken maagd voelde vrees,
en knielde ogenblikkelijk neer.
‘Vrees niet,’ sprak de engel,
‘Hoewel een zuivere maagd, zul je Christus dragen.’
Ze droeg Christus, die over de wereld zou heersen,
Het wonderbaarlijke was dat ze geen pijn voelde.
Christus Jezus is zo’n lief kind,
En loopt over de aarde op kleine voetjes.
|
|
|
II. Sen
|
De droom
|
|
Usnula, usnula, ja, Maria v ráji,
Uzdál se jí sníček:
Z jejího srdéčka,
vyrůstla jí na něm krásná jablonečka.
A ešče se ptala, čím ty lúsky kvitnú?
Tú růží či matičkú Boží?
A ešče se ptala, čím to pole kvitne?
Tú bílú lelijú či Pannú Marijú?
A ešče se ptala, čím ty hory kvitnú?
Tým zeleným listem čili Pánem Kristem?
Usnula, usnula, ja, Maria v ráji.
|
Viel in slaap, viel in slaap, Maria in het paradijs,
Eilanden van de Heiligen.
En daar had ze een droom:
In haar droom zag ze,
Groeiend uit haar eigen hart,
Een lieftallige appelboom.
En ze stelde een vraag,
‘Wat voor bloemen zijn het in die weiden?
Zijn het rode rozen of is het Gods lieve moeder?’
En ze stelde een vraag,
‘Wat groeit daar in die velden?
Zijn lelies daar zo wit of is het het bleke licht van de maagd?’
En ze stelde een vraag,
‘Wat voor bloemen zijn het in de bergen?
Zijn het zulke groene bladeren of is het de Here Jezus die ik gezien heb?’
Viel in slaap, viel in slaap, Maria in het paradijs.
|
|
|
III. Snídaně panny Marie
|
Het ontbijt van de maagd Maria
|
|
A teče vodička, vodička studená,
V ní se umývala Panenka Maria.
A dyž se umyla, na břeh vystoupila,
Na břeh vystoupila, syna porodila.
Mé milé dětátko, co jísti budeme,
Přes hory půjdeme.
Má milá matičko, nestarejte se nic,
Já půjdu na ryby do vody studené.
Mé milé dětátko, jak bys na ryby šlo,
Není hodinečka, co ses narodilo.
Jeli tam dva pánové, oba zemanové,
Potkali dětátko, ono růžu neslo.
Mé milé dětátko, kdes růžu utrhlo,
Není hodinečka, co ses narodilo.
Pojed'te, pánové, pojed'te vy se mnou,
Postavte koníčky pod lindu zelenou.
Ony budou čekat jarního vobroku,
Tak jak my čekáme sluníčka z voblaků.
|
Het water vloeide, het rivierwater was koud,
Daar waste zich de Maagd Maria, zo vertelt men.
En het water vloeide, vloeide, was koud.
En toen ze zich gewassen had, stapte ze op de oever,
En baarde een zoon, baarde een zoon.
‘Mijn kleine schat, nu zullen we wat voedsel zoeken,
Dus we moeten over de heuvel trekken.’
‘Mijn lieve moedertje, breek je hoofd er niet over,
Ik zal wat vis vangen in het koude water.’
‘Mijn schatje, daar moet ik nee op zeggen,
Nu je nog geen uur geleden geboren bent.’
Twee heren redden daar voorbij,
Die allebei vrije boeren waren,
Ze ontmoetten een klein kind met een roos in de hand,
‘Mijn schatje, jij weet waar rozen groeien,
Nu je nog geen uur geleden geboren bent.’
‘Kom met me mee, heren, kom alsjeblieft met me mee,
Bind je paarden daar beneden vast onder de lindeboom.
Ze zullen daar wachten tot je ze de toegestane haver geeft,
Terwijl wij wachten tot de zon achter de wolken vandaan komt.’
|
|
|
Obraz panny Marie
|
Het schilderij van de maagd Maria
|
|
Svatý Lukáš, maléř Boží,
On maloval obraz Boží.
Nemoh on ho vymalovat,
Musel nad ním podřímovat.
Matka Boží přistoupila,
Obraz Boží malovala.
Svoje líčka přiložila,
Hned obrázek malovala.
Staň, Lukáši, staň ze spaní,
Už je obraz malovaný.
Zapřahajte šest pár volů,
Pojedeme k Častochovu.
Postavteho na kopečku,
Proti jasnému slunéčku.
Budú lidé putovati,
Zdraví tamo nabývati.
Když vprostřed lesa přijeli,
Tři zbojníci vyskočili.
Stůjte, s vozem co vezete,
že vy tak těžko jedete?
Vezeme my obraz Boží,
Co maloval maléř Boží.
A my vám ho porúbáme
Nerúbajte, nesekajte,
Zkameňáte, zdřevěňáte!
Jali rubat, jali sekat,
Matky Boží neli tovat.
Jeden zat'al, hned zkameňal,
Druhý zat'al,
Hned zdřevěňal.
A ten třetí Boha chválil,
že obrazu neporanil.
K Častochovu dále jeli,
Dále už jeti nemohli.
Tu mě složte na kopečku,
Proti jasnému slunéčku.
Budú ke mné putovati,
Zdraví u mne nabývati.
|
De heilige St. Lucas, schilder van God,
Begon een schilderij van God te schilderen.
Maar hij kreeg het niet af,
Sloot zijn ogen, en sliep.
Naar het schilderij kwam Onze Lieve Vrouwe,
En spoedig was het schilderij af.
Ze hield haar wang tegen het doek,
En gaf het haar heilige goedheid.
‘Ontwaak, St. Lucas, uit je bedwelmende slaap,
Zie, het schilderij is nu voltooid.
Span ossen in, en daarvan zes paar,
En rijd ermee naar Chastochov.
Zet het schilderij bovenop de heuvel,
En laat de zon er vrijelijk op schijnen.
Pelgrims zullen erheen komen en bidden,
En het zal ze die dag gezondheid brengen.’
Maar toen ze het woud in kwamen,
Werden ze besprongen door drie struikrovers.
‘Stop, geef op en maak geen drukte,
Wat je daar hebt behoort ons toe.’
‘We hebben hier een schilderij van God,
Gemaakt door de schilder van God.’
‘In stukken zullen we het snijden,
In stukken zullen we het hakken.’
‘Doe dat niet, beste mensen, smeken wij je,
Want dan verander je in steen of hout.’
Maar zo gezegd, zo gedaan,
Met Onze Lieve Vrouwe toonden ze geen medelijden.
De eerste sloeg toe, en werd van steen,
De tweede sloeg toe, en werd van hout.
De derde prees zijn God,
Dat hij zijn hand niet had opgeheven tegen God.
Zij vervolgden hun weg naar Chastochov,
Zij konden die dag niet verder.
‘Zet me nu neer op de heuvel,
En laat de zon vrijelijk op mij schijnen.’
Pelgrims zullen naar me komen om te bidden,
En ik zal ze die dag gezondheid brengen.’
|
|
|
Ich bin der Welt abhanden gekommen (1901/1983)
|
|
Gustav Mahler (1860-1911), arr. Clytus Gottwald (1925)
|
|
Ich bin der Welt abhanden gekommen,
Mit der ich sonst viele Zeit verdorben,
Sie hat so lange nichts von mir vernommen,
Sie mag wohl glauben, ich sei gestorben!
Es ist mir auch gar nichts daran gelegen,
Ob sie mich für gestorben hält,
Ich kann auch gar nichts sagen dagegen,
Denn wirklich bin ich gestorben der Welt.
Ich bin gestorben dem Weltgetümmel,
Und ruh' in einem stillen Gebiet!
Ich leb' allein in meinem Himmel,
In meinem Lieben, in meinem Lied!
Friedrich Rückert, 1788-1866
|
Ik ben van de wereld losgeraakt,
Waaraan ik ooit veel tijd verdeed;
Ze heeft zo lang al niets van mij vernomen,
Ze denkt wellicht, dat ik gestorven ben.
Het laat mij volkomen onverschillig,
Of zij mij voor gestorven houdt.
Ik kan zelfs niets daartegen inbrengen,
Want voor de wereld ben ik werkelijk gestorven.
Ik ben gestorven voor het gewoel der wereld
En rust binnen een stil domein.
Ik leef alleen binnen mijn hemel,
Binnen mijn liefde, binnen mijn lied.
|
|
|
Mis voor dubbelkoor (1922/26)
|
|
Frank Martin (1890-1974)
|
|
I. Kyrie
|
|
|
Kyrie eleison. Christe eleison. Kyrie eleison.
|
Heer, ontferm U over ons. Christus, ontferm U over ons. Heer, ontferm U over ons.
|
|
|
II. Gloria
|
|
|
Gloria in excelsis Deo et in terra pax hominibus bonae voluntatis.
Laudamus te. Benedicimus te. Adoramus te.
Glorificamus te. Gratias agimus tibi propter magnam gloriam tuam.
Domine Deus, rex caelestis, Deus Pater omnipotens,
Domine Fili unigenite, Iesu Christe,
Domine Deus, agnus Dei, Filius Patris,
qui tollis peccata mundi, miserere nobis;
qui tollis peccata mundi, suscipe deprecationem nostram;
qui sedes ad dexteram Patris, miserere nobis.
Quoniam tu solus sanctus. Tu solus Dominus.
Tu solus altissimus, Iesu Christe.
Cum Sancto Spiritu, in gloria Dei Patris. Amen.
|
Eer aan God in den hoge en vrede op aarde aan de mensen die Hij liefheeft.
Wij loven U. Wij prijzen en aanbidden U.
Wij verheerlijken U en zeggen U dank voor uw grote heerlijkheid.
Heer God, hemelse Koning, God almachtige Vader,
Heer, eniggeboren Zoon, Jezus Christus,
Heer God, Lam Gods, Zoon van de Vader,
Gij die wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons;
Gij die wegneemt de zonden der wereld, aanvaard ons gebed;
Gij die zit aan de rechterhand van de Vader, ontferm U over ons.
Want Gij alleen zijt de Heilige.Gij alleen de Heer.
Gij alleen de Allerhoogste, Jezus Christus.
Met de Heilige Geest in de heerlijkheid van God de Vader. Amen.
|
|
|
III. Credo
|
|
|
Credo in unum Deum, Patrem omnipotentem,
Factorem caeli et terrae,
visibilium omnium, et invisibilium.
Et in unum Dominum Iesum Christum,
Filium Dei unigenitum,
et ex Patre natum ante omnia saecula,
Deum de Deo, lumen de lumine,
Deum verum de Deo vero,
genitum, non factum, consubstantialem Patri,
per quem omnia facta sunt.
Qui propter nos homines, et propter nostram salutem
descendit de caelis,
et incarnatus est
de Spiritu Sancto ex Maria virgine,
et homo factus est.
Crucifixus etiam pro nobis
sub Pontio Pilato passus,
et sepultus est.
Et resurrexit tertia die,
secundum scripturas.
Et ascendit in caelum:
sedet ad dexteram Patris.
Et iterum venturus est cum gloria,
iudicare vivos et mortuos:
cuius regni non erit finis.
Et in Spiritum Sanctum Dominum, et vivificantem:
qui ex Patre Filioque procedit,
qui cum Patre et Filio simul adoratur et conglorificatur:
qui locutus est per prophetas.
Et unam sanctam catholicam et apostolicam ecclesiam.
Confiteor unum baptisma in remissionem peccatorum.
Et expecto resurrectionem mortuorum, et vitam venturi saeculi. Amen.
|
Ik geloof in één God, de almachtige Vader,
Schepper van hemel en aarde,
van al wat zichtbaar en onzichtbaar is.
En in één Heer, Jezus Christus,
Eniggeboren Zoon van God,
voor alle tijden geboren uit de Vader.
God uit God, Licht uit Licht,
ware God uit de ware God.
Geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader,
en door Wie alles geschapen is.
Hij is voor ons, mensen, en omwille van ons heil
uit de hemel neergedaald.
Hij heeft het vlees aangenomen
door de heilige Geest uit de Maagd Maria,
en is mens geworden.
Hij werd voor ons gekruisigd,
Hij heeft geleden onder Pontius Pilatus
en is begraven.
Hij is verrezen op de derde dag,
volgens de Schriften.
Hij is opgevaren ten hemel:
zit aan de rechterhand van de Vader.
Hij zal wederkomen in heerlijkheid
om te oordelen levenden en doden.
En aan zijn rijk komt geen einde.
Ik geloof in de heilige Geest, die Heer is en het leven geeft:
die voortkomt uit de Vader en de Zoon;
die met de Vader en de Zoon te samen wordt aanbeden en verheerlijkt:
die gesproken heeft door de profeten.
Ik geloof in de éne, heilige, katholieke en apostolische Kerk.
Ik belijd één doopsel tot vergeving van de zonden.
Ik verwacht de opstanding van de doden en het leven van het komend rijk. Amen.
|
|
|
IV. Sanctus
|
|
|
Sanctus, Sanctus, Sanctus,
Dominus Deus Sabaoth.
Pleni sunt coeli et terra gloria tua.
Hosanna in excelsis.
Benedictus, qui venit in nomine Domini.
Hosanna in excelsis.
|
Heilig, heilig, heilig,
De Heer, de God der hemelse machten!
Vol zijn hemel en aarde van uw heerlijkheid.
Hosanna in den hoge.
Gezegend die komt in de naam des Heren.
Hosanna in den hoge.
|
|
|
V. Agnus Dei
|
|
|
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, miserere nobis.
Agnus Dei, qui tollis peccata mundi, dona nobis pacem.
|
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, ontferm U over ons
Lam Gods, dat wegneemt de zonden der wereld, geef ons de Vrede.
|
|
|