Logo Kamerkoor Vocoza 30 jaar Zomer * Herfst

Teksten en vertalingen programma Zomer * Herfst, november 2010

Deze teksten en de vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat hier als pdf-document te downloaden is, maar dat ook op papier met een nietje erdoor te koop is voorafgaand aan het concert voor € 1,00. © Vertalingen tenzij anders vermeld: Pieter Nieuwint, Kamerkoor Vocoza


Jesu, meine Freude

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

1. Koraal
Jesu, meine Freude
Meines Herzens Weide,
Jesu, meine Zier;
Ach, wie lang, ach, lange
Ist dem Herzen bange,
Und verlangt nach dir!
Gottes Lamm, mein Bräutigam,
Außer dir soll mir auf Erden
Nichts sonst Liebers werden.

2. Romeinen 8.1
Es ist nun nichts verdammliches
an denen,
Die in Christo Jesu sind,
Die nicht nach dem Fleische wandeln,
Sondern nach dem Geist.

3. Koraal
Unter deinem Schirmen
Bin ich vor den Stürmen
Aller Feinde frei.
Laß den Satan wittern,
Laß den Feind erbittern, mir steht Jesus bei!
Ob es itzt gleich kracht und blitzt,
Ob gleich Sünd und Hölle schrecken
Jesus will mich decken.

4. Romeinen 8.2
Denn das Gesetz des Geistes,
Der da lebendig machet in Christo Jesu,
hat mich frei gemacht von dem Gesetz
Der Sünde und des Todes.

5. Vers 3
Trotz dem alten Drachen,
Trotz des Todes Rachen,
Trotz der Furcht dazu!
Tobe, Welt, und springe,
Ich steh hier und singe
In gar sichrer Ruh.
Gottes Macht hält mich in Acht,
Erd und Abgrund muß verstummen,
Ob sie noch so brummen.

6. Romeinen 8.9
Ihr aber seid nicht fleischlich,
Sondern geistlich,
So anders Gottes Geist in euch wohnet.
Wer aber Christi Geist nicht hat,
Der ist nicht sein.

7. Koraal
Weg mit allen Schätzen,
Du bist mein Ergötzen,
Jesu, meine Lust!
Weg, ihr eitlen Ehren
Ich mag euch nicht hören
Bleibt mir unbewußt!
Elend, Not, Kreuz, Schmach und Tod
Soll mich, ob ich viel muß leiden,
Nicht von Jesu scheiden.

8. Romeinen 8.10
So aber Christus in euch ist,
So ist der Leib zwar tot
um der Sünde willen,
Der Geist aber ist das Leben
um der Gerechtigheid willen.

9. Koraal
Gute Nacht o Wesen,
Das die Welt erlesen,
Mir gefällst du nicht!
Gute Nacht, ihr Sünden,
Bleibet weit dahinten,
Kommt nicht mehr ans Licht!
Gute Nacht, du Stolz und Pracht,
Dir sei ganz, du Lasterleben,
Gute Nacht gegeben!

10. Romeinen 8.11
So nun der Geist des,
Der Jesum von den Toten auferwecket hat,
In euch wohnet,
So wird auch derselbige,
Der Christum von den Toten
auferwecket hat,
Eure sterbliche Leiber lebendig machen
Um des Willen daß sein Geist in euch wohnet.

11. Koraal
Weicht, ihr Trauergeister,
Denn mein Freudenmeister,
Jesus, tritt herein.
Denen, die Gott lieben,
Muß auch ihr Betrüben
Lauter Zucker sein.
Duld ich schon hier Spott und Hohn,
Dennoch bleibst du auch im Leide,
Jesu, meine Freude.

 
Jezus, o mijn vreugde,
Voor mijn hart een weide,
Wil mijn sieraad zijn.
Ach hoe lang, hoe lang reeds,
Is mij hart toch bang steeds
En wil bij U zijn.
Lam van God, mijn bruidegom,
Buiten U is mij op aarde,
Niets van groter waarde.

 
Er bestaat thans geen verdoemenis meer
voor hen,
Die Jezus Christus toebehoren.
Die niet naar het vlees leven
Maar naar de geest.

 
Onder Uwe hoede
Heeft des vijands woeden
Geen gevaar voor mij.
Laat de duivel rond gaan,
Vijanden voor schut staan, Jezus staat mij bij!
Of het dondert ook en flitst
Ook al schudden hel en zonde,
Jezus heelt mijn wonde.

 
Want de wet van de geest,
Een wet van leven in Christus Jezus,
Heeft me bevrijd van de wet
Van zonde en dood

 
Ondanks de oude draak,
Ondanks des dodes wraak,
Ondanks de angst daarvoor,
Woed maar, wereld, spring maar,
Ik sta hier en zing klaar;
Niets hier dat mij stoort.
Gods kracht houdt mij in haar macht;
Aard’ en afgrond moet verstommen,
Of ze nog zo brommen.

 
Welnu, gij zijt niet in het vlees,
Maar gij zijt in de geest,
Omdat de geest van God in u woont.
Wie toch de geest van Christus niet heeft,
Die behoort hem niet toe.

 
Naar geen schat meer jagen!
U bent mijn behagen.
Jezus is mijn lust!
Eer, ga uit mijn oren,
‘k wil daarvan niets horen,
Laat mij maar met rust!
Lijden, nood, kruis, smaad en dood,
Kan mij, moet ik nog zo lijden,
Niet van Jezus scheiden.

 
Maar zo Christus in u is,
Dan is het lichaam wel dood
door de zonde,
Doch de geest blijft in leven
door de gerechtigheid.

 
Goede nacht, gij wezen,
Door de aard’ geprezen,
Mij behaag je niet.
Goede nacht gij zonden,
‘k Ben van u ontbonden,
Geen meer die men ziet!
Goede nacht, jij trots en pracht.
Jou zij, heel mijn zondenleven.
Goede nacht gegeven.

 
En zo de geest van hem
Die Jezus uit de doden heeft opgewekt,
in u woont,
Dan zal hij
die Christus Jezus uit de doden
heeft opgewekt,
ook uw sterfelijke lichamen ten leven wekken
door zijn geest die in u woont

 
Wijkt, gij jammerschimmen,
Want mijn Heer komt binnen,
Jezus, vreugdeheer.
Hun, die van God houden,
Is der schimmen rouwen
Suikerzoet begeer.
Leed ik hier reeds spot en hoon,
Toch was steeds, zolang mij heugde,
Jezus, U mijn vreugde.


IIème Leçon de Ténèbres

François Couperin (1668-1733)

VAU
Et egressus est a filia Sion,
omnis decor ejus:
facti sunt principes ejus velut
arietes non invenientes pascua
et abierunt absque fortitudine
ante faciem subsequentis.

ZAIN
Recordata est Jerusalem dierum afflictionis suae,
et praevaricationis omnium desiderabilium suorumquae habuerat a diebus antiquiscum.
Caderat populus ejus in manu hostiliet
non esset auxiliator.
Viderunt eam hosteset
deriserunt sabbata ejus.

HETH
Peccatum peccavit Jerusalem
propterea instabilis facta est.
Omnes qui glorificabant eam spreverunt illam:
quoniam viderunt ignominiam ejus.
Ipsa autem gemens conversa est retrorsum.

TETH
Sordes ejus in pedibus ejus,
nec recordata est finis sui:
deposita est vehementer
non habens consolatorem:
vide, Domine afflictionem meam,
quoniam erectus est inimicus.

Jerusalem, Jerusalem,
Convertere ad Dominum Deum tuum.

Tekst: Klaagliederen 1, vers 6-9

 
En van de dochters van Sion
is alle schoonheid verdwenen:
haar vorsten zijn geworden als herten
die geen weidegrond vinden,
zij gingen, beroofd van kracht
voor de vervolger uit.

 
Jeruzalem blijft gedenken, in de dagen van haar ellende en omzwervingen, al de kostbaarheden die ze bezat in de dagen van weleer.
Toen haar volk in de hand van de vijand viel,
en ze geen helper had,
zagen haar vijanden haar,
en lachten om haar ondergang.

 
Jeruzalem heeft zwaar gezondigd,
daarom wordt ze gemeden als een onreine;
Allen die haar eens eerden, verachten haar nu:
omdat zij haar naaktheid zien;
En zelf ook jammert ze en wendt haar gelaat af.

 
Haar onreinheid kleeft aan de zoom van haar kleed, zij heeft niet gedacht aan het einde,
ontstellend diep is zij gezonken,
niemand is er, die haar troost.
Zie, o Heer, mijn ellende aan,
want het is de vijand naar het hoofd gestegen!

Jeruzalem, Jeruzalem
Keer terug tot uw God de Heer.


Fünf Gesänge (opus 104)

Johannes Brahms (1833-1897)

I. Nachtwache I

Leise Töne der Brust,
geweckt von Odem der Liebe,
hauchet zitternd hinaus,
ob sich euch öffn’ ein Ohr,
öffn’ ein liebendes Herz,
und wenn sich keines euch öffnet,
trag ein Nachtwind euch
seufzend in meines zurück.

Tekst: Friedrich Rückert

Zachte tonen van het hart,
gewekt door de adem der liefde,
wordt fluisterend hoorbaar,
opdat een oor zich voor jullie opene,
een liefhebbend hart zich opene,
en wanneer geen enkel hart zich voor jullie opent,
moge een avondbries jullie dan
als een zucht naar mijn hart terugleiden.

II. Nachtwache II

Ruhn sie? rufet das Horn
des Wächters drüben aus Westen,
und aus Osten das Horn
rufet entgegen: Sie ruhn!
Hörst du, zagendes Herz,
die Flüsterden Stimmen der Engel?
Lösche die Lampe getrost,
hülle in Frieden dich ein.

Tekst: Friedrich Rückert

Rusten zij? roept de hoorn
van de wachter ginds uit het westen,
en uit het oosten roept de hoorn
terug: zij rusten!
Hoor je, twijfelend, angstig hart,
de fluisterende stemmen der engelen?
Doof de lamp gerust,
laat vrede je omhullen.

III. Letztes Glück

Leblos gleitet Blatt um Blatt,
still und traurig von den Bäumen;
seines Hoffens nimmersatt,
lebt das Herz in Frühlingsträumen.
Noch verweilt ein Sonnenblick
bei den späten Hagerosen,
wie bei einem letzten Glück
einem süßen, hoffnungslosen.

Tekst: Max Kalbeck

Levenloos dwarrelt blad na blad
stil en treurig van de bomen;
onverzadigbaar van hoop,
leeft het hart in voorjaarsdromen.
Nu nog rust een zonnestraal
op de late haagroos,
als bij een laatste geluk,
zoet en hopeloos.

IV. Verlorene Jugend

Brausten alle Berge, sauste rings der Wald
meine jungen Tage, wo sind sie so bald?
Jugend, teure Jugend, flohest mir dahin;
o du holde Jugend, achtlos war mein Sinn!
Ich verlor dich leider, wie wenn einen Stein
jemand von sich schleudert in die Flut hinein.
Wendet sich der Stein auch um in tiefer Flut,
weiß ich, daß die Jugend doch kein Gleiches tut.

Tekst: Josef Wenzig naar een Boheems volkslied

Bruisten alle bergen, suisde rondom het bos
mijn jonge dagen, waar zijn ze zo gauw?
Jeugd, dierbare jeugd, jij ontvluchtte mij;
o jij lieftallige jeugd, geheel onachtzaam was ik.
Ik verloor jou helaas, zoals iemand een steen
van zich afwerpt in de golven.
Keert de steen zich nog om, diep in ’t water,
ik weet dat de jeugd niet hetzelfde doet.

V. Im Herbst

Ernst ist der Herbst, und wenn die Blätter fallen,
sinkt auch das Herz zu trübem Weh herab.
Still ist die Flur, und nach dem Süden wallen
die Sänger stumm, wie nach dem Grab.
Bleich ist der Tag, und blasse Nebel schleiern
die Sonne wie die Herzen ein.
Früh kommt die Nacht: denn alle Kräfte feiern,
und tief verschlossen ruht das Sein.
Sanft wird der Mensch. Er sieht die Sonne sinken,
er ahnt des Lebens wie des Jahres Schluß.
Feucht wird das Aug, doch in der Träne Blinken
entströmt des Herzens seligster Erguß.

Tekst: Klaus Groth

Ernstig is de herfst en als de bladeren vallen, daalt ook het hart in droeve smart.
Stil is de weide, en zwijgend trekken de zangvogels zuidwaarts, als naar het graf.
Bleek is de dag en vale nevels versluieren zowel de zon als het hart.
Vroeg komt de nacht: want alle krachten luieren, en in zichzelf gekeerd rust het bestaan.
Zachtmoedig wordt de mens. Hij ziet de zon snel tanen, hij vermoed het levenseinde zoals het jaar eindigt.
De ogen worden nat, maar in de glans der tranen ontstroomt een gelukzalige ontboezeming van het hart.


Kalevipoeg

Veljo Tormis (1930 - )

1. Oh, mu hella eidekene

Oh mijn lieve, zachtaardige moeder

Oh, mu hella eidekene,
kes mind armul kasvatasid,
käte peal mind kiigutasid,
suu juures suigutasid:
Pidid üksi suremaie,
nägemata närtsimaie!
Kes sul surus silmad kinni,
kes sul vaotas kulmud kokku?
Sinilill sul sulges silmad,
kastehein sul kattis kulmud.
Oh, mu hella eidekene!
Sinilillel salaokkad,
kasteheinal kõrred karedad.
Oh, mu hella eidekene!
Kuidas sa mind kasvatasid,
kallistasid,
üles tõstsid,
hüpatasid,
maha panid,
mängitasid,
suu juures suisutasid,
kahel käel kiigutasid!
Mõtlesid toeks tulevat,
arvasid abiks astuvat,
lootsid elu lõpetusel
laugelangutajat saavat,
silmakatjat siginema.

Oh mijn lieve, zachtaardige moeder,
u die mij liefdevol opvoedde,
die mij omhelsde en in uw armen wiegde,
mij zachtjes fluisterend in slaap suste:
geheel alleen kwam u aan uw einde,
kwijnde u weg zonder getuigen!
Wie sloot toen zo teder uw ogen,
welke hand streek over uw voorhoofd?
Paarse bloesem sloot uw oogleden,
en gebogen gras groeide boven uw wenkbrauwen.
Oh mijn lieve, zachtaardige moeder!
Geheime doornen teisteren die bloesems,
en het gebogen gras draagt ruwe en wrede stekels.
Oh mijn lieve, zachtaardige moeder!
Met grote wijsheid voedde u mij op,
knuffelde u mij,
hield mij in een innige omhelzing,
liet me paardje rijden op uw knie,
zette me weer neer
en speelde met me,
suste me zachtjes fluisterend in slaap,
omhelsde me terwijl u me in uw armen wiegde!
U hoopte dat ik u zou troosten.
U dacht dat ik uw pijn kon verzachten,
en dat er hier, aan het eind van uw leven,
iemand zou zijn om uw ogen te sluiten,
iemand die uw ogen voor eeuwig dicht zou doen.

2. Murueide tütred

Dochters van de weidevrouwe

Õekesed, hellakesed,
Käharpeaga kaunikesed,
linalakad linnukesed!
Lähme lustil kiikumaie,
murudele mängimaie,
kasteheina kõrre peale,
angervaksa varre peale!
Lähme unda õmblemaie,
nägusida näitamaie:
koome kujud koidu eella,
lõksutame lustikirjad,
Kalevipoja päheje!
Laskem mehel magadessa,
õnneaegga õitseneda,
kuulda kulla käo kukku,
hõbedase linnu häälta!
Kas see kägu kukub kurba,
linnukene laulab leina?
Kurbus jäägu kuusikusse,
leinamised lepikusse!
Laulis lindu lepikussa.
Kukkus kägu kuusikussa.
Käigem kiiresti koduje!
Otsas meie õnneaasta,
lõpetatud lustipidu, lõpetatud…

Oh mijn zusters, liefhebbende zusters,
trotse schoonheden met krullende lokken,
vogeltjes met krulletjes van vlas!
Laat ons zorgeloos naar de weide gaan,
en vrolijk dansen, zwieren,
op kromme weidegrassprieten,
of omhoog, de steel van een moerasplant op!
Laat ons dromen gaan borduren
en vorm geven aan vluchtige visioenen:
vóór het ochtendgloren zullen we vormen weven,
aantrekkelijke, lieftallige patronen,
om Kalevipoegs voorhoofd mee te bekransen!
Laten we de tijd nemen voor vreugde en blijdschap,
en bloemen vergaren voor de slapende man,
terwijl hij het zachte gezang van de koekoek
en het heldere gekwinkeleer van de zilveren vogel hoort!
Zingt de koekoek een treurig lied,
kwinkeleert de vogel een klaagzang?
Laat de droefheid in de sparren blijven,
en de rouw in een elzenbosje!
Luister! Een vogel zong in de elzen,
de koekoek zong hoog in de sparren.
Laten we onmiddellijk naar huis gaan!
Het jaar van onze vreugde is nu ten einde,
al onze blijdschap is voorbij.

3. Laine veereb

De golf rolt

Laine veereb laine jälgel
vetevooge veeretusel,
kiigel kalda kalju vastu.
Lõhkeb vahtus kalda vastu,
tuisatelles vete tolmu.
Kuu vaatab kõrgeelta,
tähesilmad vaatvad taevast.
Päike paistab rõõmu palgel.

De ene golf komt aanrollen na de andere,
deint, zwelt aan; woelige baren
klotsen tegen de stenen kustlijn.
Spatten in schuim uiteen tegen het bruggehoofd,
groots wervelend, een fijne nevel verspreidend.
Vanuit de hoogte kijkt de maan toe,
ogen als sterren blikken vanuit de hemel.
Het zonlicht straalt, glimlacht, straalt.


Lamento d’Arianna

Klaagzang van Ariadne

Claudio Monteverdi (1567 - 1643)

Lasciatemi morire, lasciatemi morire
e chi volete voi che mi conforte in così dura sorte
in così gran’ martire
Lasciatemi morire, lasciatemi morire.

O Teseo, O Teseo mio, Si che mio ti vo’dir, che mio pur sei, benchè t’involi, ahi crudo, agli occhi miei. Volgiti Teseo mio, volgiti Teseo.

O Dio volgiti indietro a rimirar colei
che lasciato haper te la Patria e il regno,
e in queste arene ancora
cibo di fere dispietate e crude, lascierà l’ossa ignude.

O Teseo, o Teseo mio, se tu sapessi, o Dio, se tu sapessi, ohimè! come s’affanna la povera Arianna; Forse, forse pentito, rivolgeresti ancor la prora al lito. Ma con l’aure serene Tu te ne vai felici et io qui piango.

A te prepara Atene liete pompe superbe, ed io rimango cibo di fera insolitarie arene.
Tu l’une’e l’altro tuo vecchio parente
stringerai lieto Ed io piu non vedrovvi, o madre o padre mio.

Dove, dove è la fede che tanto mi giuravi? Cosi ne l’alta sede tu mi ripon de gl’avi? Son queste le corone onde m’adorni il crine?
Questi li scettri sono? Queste le gemme e gl’ori?
Lasciarmi in abandono a fera che mi stracci e mi divori.

Ah Teseo, ah Teseo mio
Lascierai tu morire invan piangendo, invan gridando aita la misera Arianna ch’a te fidossi e ti die’gloria e vita?

Ahi, che non pur rispondi
Ahi, che più d’aspe è sordo a miei lamenti.
O nembi, o turbi, o venti, sommergetelo voi dentro a quell’onde.
Correte, orche e balene e
delle membra immonde empiete le voragini profonde.
Che parlo, ahi che vaneggio?
Misera, ohimè che chieggo ?

O Teseo, o Teseo mio,
non son quell’io che i feri detti sciolse;
parlò l’affanno mio, parlò il dolore, parlò la lingua si, ma non già il core.

Laat mij sterven, laat mij sterven.
Wie zou me kunnen troosten in zo’n bitter lot,
in zo’n grote kommer.
Laat mij sterven, laat mij sterven.

O Theseus, o mijn Theseus, ik wil je zeggen dat je mij toebehoort, hoewel je, wreedaard, uit mijn oog verdwijnt. Keer terug, mijn Theseus, keer terug.

O god, keer terug om haar te aanschouwen, die voor jou haar vaderland en koninkrijk heeft verlaten, en op dit strand,
als prooi van meedogenloos wrede dieren,
slechts haar ontvleesde botten zal achterlaten.

O Theseus. o mijn Theseus, als je wist, o als je wist hoe vreselijk de arme Ariadne lijdt, dan zou je misschien berouw krijgen en alsnog koers zetten naar het strand; maar blij vaar je weg in de heldere lucht terwijl ik hier in tranen baad.

Jou bereidt Athene een feestelijk onthaal, en ik blijf ten prooi aan wilde dieren op deze verlaten stranden. Jij wordt hartelijk omhelsd door je beide bejaarde ouders, maar ik zal
noch mijn vader noch mijn moeder weerzien.

Waar is de trouw die je me zo plechtig hebt gezworen? Haal je me zo binnen in de kring van je voorouders? Zijn dit de kronen waarmee je mijn hoofd tooit? Zijn dit de scepters, de juwelen, en het goud? Moet je me zo overleveren aan de wilde dieren, die me verscheuren?

O Theseus, o mijn Theseus,
Laat je haar sterven, tevergeefs wenend en om hulp roepend, de ongelukkige Ariadne, die je vertrouwen, roem en leven schonk?

Ach, hij antwoordt toch niet.
Ach, hij is dover dan een slang voor mijn geween.
O wolken, o stormen, o winden, maak dat hij in deze golven ten onder gaat.
Snelt toe zeemonsters en walvissen, en laat de diepe afgrond dit onteerde lichaam verzwelgen.
Wat zeg ik, o hemel, waar heb ik het over?
Ik onzalige, wat vraag ik?

O Theseus, o mijn Theseus,
ik ben mezelf niet, dat ik je zo beschimp;
mijn ellende sprak, mijn verdriet sprak, mijn tong sprak, maar niet mijn hart.


Hör mein bitten

Felix Mendelssohn (1809 - 1847)

Hör mein Bitten, herr, neige dich zu mir,
auf deines Kindes Stimme habe acht!
Ich bin allein; wer wird mein Tröster und helfer sein?
Ich irre ohne Pfad in dunkler Nacht!
Die Feinde sie droh’n und heben ihr Haupt:
Wo ist nun der Retter, an den ihr geglaubt?
Sie lästern dich täglich, sie stellen uns nach
und halten die frommen in Knechtschaft und Schmach!
Mich fasst des Todes furcht bei ihrem Dräu’n!
Sie sind unzähliche, ich bin allein;
mit meiner Kraft kann ich nicht widerstehen,
Herr, kämpfe du für mich, Gott hör mein fleh’n!
O könnt’ ich fliegen wie Tauben dahin,
weit hinweg vor dem Feinde zu flieh’n!
In die Wüste eil’t ich dann fort,
fände Ruhe am schattigen Ort.

Tekst: Psalm 55: 2-8

Luister, God, naar mijn gebed,
verberg u niet als ik om hulp smeek,
sla acht op mij en geef mij antwoord.
Klagend loop ik rond,
radeloos door het schreeuwen van de vijand
en het tieren van de goddelozen,
want zij storten onheil over mij uit
en bestoken mij met hun woede.
Mijn hart krimpt in mijn binnenste,
doodsangst heeft mij bevangen,
vrees en beven grijpen mij aan,
ik huiver over heel mijn lichaam.
Had ik maar vleugels als een duif,
ik zou opvliegen en neerstrijken,
ver, ver weg zou ik vluchten,
overnachten in de woestijn.

Vertaling: De Nieuwe Bijbelvertaling. Haarlem, 2004.