Logo Kamerkoor Vocoza 30 jaar steigerwerk

Teksten en vertalingen programma Steigerwerk in de ruimte, juni 2010

Deze teksten en de vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat op papier met een nietje erdoor te koop is voorafgaand aan het concert voor € 1,00. © Vertalingen tenzij anders vermeld: Pieter Nieuwint, Kamerkoor Vocoza


Gleich zu Gleich (1908)

Alphons Diepenbrock (1862-1921)

Da wächs't der Wein, wo's Faß ist,
Es regnet gern, wo's naß ist,
Zu Tauben stiegt die Taube,
Zur Mutter paßt die Schraube,
Der Stöpsel sucht die Flaschen,
Die Zehrung Reisetaschen,
Weil Alles, was sich rühret,
Am Schluß doch harmoniret.

Denn das ist Gottes wahre Gift,
Wenn die Blüthe zur Blüthe trifft;
Deßwegen Jungfern und Junggesellen
Im Frühling sich gar gebärdig stellen.

Tekst: J.W. Goethe

De wijn rijpt waar het vat is,
Het regent graag waar het nat is,
Naar duiven stijgt de duif op,
In de moer past de schroef,
De stop zoekt de fles,
De spijzen de reistas,
Daar alles wat zich verroert,
Uiteindelijk toch harmonieert.

Want dat is Gods ware geschenk,
Als de bloesem de bloesem ontmoet;
Vandaar dat jongeheren en jongedames
Zich in de lente nogal hitsig tonen.


Het motet voor de kardinaal

Daan Manneke (2003)

Tu solus qui facis mirabilia
Tu solus Creator,
qui creasti nos,
Tu solus Redemptor,
qui redemisti nos
sanguine tuo pretiosissimo.
Ad te solum confugimus,
in te solum confidimus,
nec alium adoramus,
Iesu Christe.
Ad te preces effundimus,
exaudi quod supplicamus,
et concede quod petimus,
Rex benigne.

Tekst van Motet Tu solus, qui facis mirabilia – Josquin des Prez (c.1440-1521)

U alleen, die wonderbaarlijke dingen doet,
U alleen Schepper,
die ons hebt geschapen,
U alleen Verlosser,
die ons hebt verlost
door Uw zo kostbare bloed.
Tot U alleen nemen wij onze toevlucht,
op U alleen vertrouwen wij,
en wij aanbidden geen ander,
Jezus Christus.
Naar U storten wij onze gebeden uit,
aanhoor wat wij U smeken,
en sta toe wat wij vragen,
welwillende Koning.

Ik schrok: op een galerij boven mijn hoofd ruiste het plotseling gedempt en verrassend. Vlak daarop barstte een koor van mannenstemmen los. Ik wist niet wat ik hoorde. Ik keek links en rechts, maar niemand scheen ontdaan zoals ik. Ik vernam in het koor vele stemmen, die ieder voor zich schenen te zingen, zij stegen en daalden langs onzichtbare ladders over en naar el-kaar, soms paarsgewijs, soms kruisten zij elkaars baan als kometen en sleepten een lange staart van harmonieën achter zich aan, zij hielden elkaar zwevende in evenwicht, en ondanks de kunstigste verstrengelingen was alles sterk en doorzichtig als zilveren steigerwerk in de ruimte. Ik stond na enkele minuten al te beven op mijn gesleten zolen, het zweet brak mij uit, hier gebeurde wat ik niet voor mogelijk gehouden had. Dat de macht van de muziek onbe-grensd is, had ik steeds meer vermoed dan geweten; nu ervoer ik het in eigen persoon, voor eens en altijd. (p43) (…)
Broeder! Per l‘amore de Dio, wat heb ik daar juist voor zang gehoord? (p44)

Tekstfragmenten uit Motet voor de Kardinaal van Theun de Vries, p43 en 44

Allo scontro indelibile
con una musica di felicita

Tekst: motto Theun de Vries

Tegen de onuitwisbare onenigheid
Met gelukbrengende muziek.

D’ung aultre amer mon cueur s’a besseroit,
Il ne fault pas penser que je l’estrange,
Ne que pour rien de ce propos me change.
Car mon honneur en appetisseroit

Tekst Madrigaal D’ung aultre amer – Johannes Ockeghem (c. 1420-1497)

Door een ander lief te hebben zou mijn hart zich verlagen,
Denk niet dat ik hem ontrouw zal worden,
Of dat ik om welke reden dan ook van mening zal veranderen.
Want mijn eer zou eronder lijden.

D’ung aultre amer,
Nobis esset fallacia
D’ung aultre amer,
Magna esset stultitia
et peccatum.
Audi nostra suspiria,
Reple nos tua gratia,
O Rex regum,
ut ad tua servitia sistamus
cum laetitia in aeternum.

Tekst van Motet Tu solus, qui facis mirabilia – Josquin des Prez (c.1440-1521)

Een ander te aanbidden
zou een fout van ons zijn.
Een ander te aanbidden
zou een grote domheid zijn
en een zonde.
Hoor ons zuchten,
vervul ons van Uw genade,
o Koning der koningen,
opdat wij U met blijdschap blijven dienen
tot in eeuwigheid.


Qui habitat (psalm 91)

Hendrik Andriessen (1892-1981)

I
Qui habitat in adjutorio Altissimi,
in protectione Dei coeli commorabitur,
dicet Domino: susceptor meus es tu
et refugium meum.
Deus meus, sperabo in eum.
Scapulis suis obumbrabit tibi,
et sub pennis ejus sperabis.

II
Scuto circumdabit te veritas ejus:
non timebis a timore nocturno,
a sagitta volante per diem,
a negotio per ambulante in tenebris,
a ruina et daemonio meridiano.
Cadent a latere tuo mille
Et decem millia a dextris tuis:
tibi autem non appropinquabit.
Quoniam angelis suis mandavit de te
ut custodiant te in omnibus viis tuis

III
Quoniam in me speravit
liberabo eum: protegam eum,
quoniam cognovit nomen meum.
Invocabit me, ego exaudiam eum:
cum ipso sum in tribulatione.
Eripiam eum glorificabo eum:
longitudine dierum adimplebo eum,
et ostendam illi salutare meum.

I
Wie onder de hoede van de Allerhoogste woont,
vertoeft in de bescherming van de hemelse God
die zal tegen de Heer zeggen:
'Gij zijt mijn redder en mijn toevlucht.
Mijn God, op Hem stel ik mijn vertrouwen.'
Hij zal je met zijn vleugels toedekken
en onder zijn veren zul je hoop vinden.

II
Zijn waarheid zal je met een schild omgeven,
de verschrikkingen van de nacht zul je niet vrezen,
noch de pijl die suist overdag,
noch de pest die rondwaart in het donker,
noch de duivelse plaag die toeslaat in de middag.
Al sneuvelen er duizend aan je linkerzijde
en tienduizend aan je rechter,
toch zal het jou niet naderen.
Want hij heeft zijn engelen over je opgedragen
om jou op al je wegen te behoeden.

III
Omdat hij op mij heeft vertrouwd,
zal ik hem bevrijden en beschermen,
want hij kent mijn naam .
Zodra hij me aanroept zal Ik luisteren
Ik sta hem bij in zijn nood.
Ik maak hem vrij en schenk hem aanzien
Met lengte van dagen zal ik hem vervullen
en hem Mijn heil laten zien.

Bij de vertaling:
Er is geprobeerd het Latijn zoveel mogelijk te volgen en daardoor lijkt de tekst nog het meest op de mooie Willibrord bijbelvertaling uit 1995. De sterk gemoderniseerde vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (2004) wijkt teveel van het Latijn af om hier als tekstverklaring te dienen. Andriessens bewerking van deze psalm mist trouwens een aantal verzen : 3, 8-10 en 12-13. [Vertaling: Kamerkoor Ensuite, Rotterdam]


U.S. 30 in Idaho

David Avshalomov (1962)

If the last magpie were to die of a stomachache
They’d have to make a new kind of tire
So a car could drive through the bodies of
Jack-rabbits, rattle-snakes,
Pack-rats, ranch cats,
Prairie dogs, gray-diggers
Field-mice, porcupines
And china-pheasants, bobwhites,
Goldfinches, turtledoves,
Meadowlarks, butterflies
And magpies.

Tekst: Doris Avsholomov

Als de laatste ekster zou sterven aan maagpijn
Dan zouden ze een nieuw soort band moeten maken
Zodat een auto door de lichamen heen kon rijden
Van prairiehazen, ratelslangen,
Hamsterratten boerderijkatten,
Prairiehonden, doodgravers,
Veldmuizen, stekelvarkens,
en Chinese fazanten, boomkwartels,
puttertjes, tortelduiven,
weidespreeuwen, vlinders
En eksters.


Tyger Tyger burning bright

David Avshalomov (2001)

Tiger, Tiger, burning bright,
in the forests of the night;
What immortal hand or eye,
could frame thy fearful symmetry?

In what distant deeps or skies,
burnt the fire of thine eyes?
On what wings dare he aspire?
What hand dare seize the fire?

And what shoulder and what art,
could twist the sinews of thy heart?
And when thy heart began to beat,
what dread hand? and what dread feet?

What the hammer? what the chain?
In what furnace was thy brain?
What the anvil? what dread grasp,
dare its deadly terrors clasp?

Tiger, tiger, tiger, tiger,
Burning bright! Burning!

When the stars threw down their spears;
and watered Heaven with their tears:
did he smile his work to see?
Did he who made the Lamb make thee? Ah!

Tiger, tiger, burning bright
in the forests of the night.
What immortal hand or eye,
dare frame thy fearful symmetry!
Tiger!

Tekst: William Blake (1794)

Tijger, tijger, met je helder brandende ogen
In de nachtelijke wouden,
Welke onsterfelijke handen of ogen
Konden jouw angstwekkende symmetrie ontwerpen?

In welke verre diepten of luchten
Brandde het vuur in jouw ogen?
Op welke vleugels durft hij op te stijgen?
Welke de hand die het vuur durft te grijpen?

En welke schouder, en welke kunst,
Kon de pezen van jouw hart vlechten?
En toen jouw hart begon te kloppen,
Welke ontzagwekkende hand en voeten?

Welke hamer? Welke ketting?
In welke oven zat jouw brein?
Welk aambeeld? Welke ontzagwekkende greep
Durft zijn dodelijke verschrikkingen aan te vatten?



Toen de sterren hun speren neerwierpen,
En de hemel met hun tranen bevochtigden,
Glimlachte hij toen bij het zien van zijn werk?
Maakte hij die het lam maakte ook jou?

Tijger, tijger, met je helder brandende ogen
In de nachtelijke wouden,
Welke onsterfelijke handen of ogen
Konden jouw angstwekkende symmetrie ontwerpen?


The Lamb

Het Lam

David Avshalomov (2003)

Little Lamb, who made thee?
Dost thou know who made thee?
Gave thee life, and bid thee feed
By the stream and o’er the mead;
Gave thee clothing of delight,
Softest clothing, woolly, bright;
Gave thee such a tender voice,
Making all the vales rejoice?
Little Lamb, who made thee?
Dost thou know who made thee?
Little Lamb, I’ll tell thee,
He is called by thy name,
For he calls himself a Lamb.
He is meek, and he is mild,
He became a little child.
I, a child, and thou a lamb,
We are called by his name.
Little Lamb, God bless thee!

Tekst uit Songs of Innocence van William Blake (1794)

Klein lammetje, wie heeft jou gemaakt?
Weet jij wie jou gemaakt heeft?
Jou het leven gaf en jou opdroeg je te voeden
Bij de stroom en boven de mede;
Jou verrukkelijke kleding gaf,
de zachtste kleding, wollig, stralend;
Jou zo’n lieve stem gaf,
Waar heel het dal zich in verheugt?
Klein lammetje, wie heeft jou gemaakt?
Weet jij wie jou gemaakt heeft?
Klein lammetje, ik zal het je zeggen,
Hij heet naar jou,
Want hij noemt zich een lam.
Hij is zachtaardig, en hij is mild,
Hij werd een klein kind.
Ik, een kind, en jij, een lam,
Wij heten naar hem.
Klein lammetje, God zegene je!


Ruth

Paul Ayres (2001)

And Ruth said, I will go wherever you go
and live wherever you live.
Your people will be my people, and your God will be my God.
I will die where you die and will be buried there.
(Ruth 1, 16-17)

There are three things that amaze me –
no, four things I do not understand:
how an eagle glides through the sky,
how a snake slithers on a rock,
how a ship navigates the ocean,
how a man loves a woman.
(Proverbs 30, 18-19)

Such knowledge is too wonderful for me,
too great for me to know!
(Psalms 139, 6)

En Ruth zei: ‘Waar u gaat, zal ik gaan,
en leven waar u leeft.
Uw volk zal mijn volk, en uw God zal mijn God zijn.
Waar u sterft, zal ook ik sterven, en daar zal ik begraven worden.’
(Ruth 1, 16-17)

Drie dingen zijn te wonderlijk voor mij,
Nee, vier dingen kan ik niet bevatten:
Hoe een arend over de hemel vliegt,
Hoe een slang over de rots glijdt,
Hoe een schip vaart op volle zee,
Hoe een man een vrouw liefheeft.
(Spreuken 30, 18-19)

Zulke kennis is te wonderlijk voor mij,
het gaat mijn begrip te boven.
(Psalm 139, 6)


Canon à 30

Daan Manneke (2010)

Wer sich die Musik erkiest,
Hat ein himmlisches Gut bekommen,
weil die Engel insgemein
selber Musikanten sein.

Tekst: Eduard Mörike (1804-1875)

Wie voor de muziek kiest
heeft een hemels goed verkregen
daar de engelen in het algemeen
zelf muzikanten zijn.


Hymnus de Spiritu Sancto (Op. 30; 1952)

Knut Nystedt (1915- )

Veni, Creator Spiritus
mentes tuorum visita
Imple superna gratia
quae tu creasti pectora.

Accende lumen sensibus,
infunde amorem cordibus,
infirma nostri corporis,
virtute firmans perpeti.

Per te sciamus da Patrem,
noscamus atque Filium,
te utriusque Spiritum
credamus omni tempore.

Deo Patri sit gloria
et Filio, quia mortuis,
Surrexit ac Paraclito,
In saeculorum saecula.
Amen.

Tekst: delen uit Veni, Creator Spiritus, vermoedelijk van Rabanus Maurus, 9e eeuw

Kom Schepper, Geest, daal tot ons neer,
houd Gij bij ons uw intocht, Heer;
vervul het hart dat U verbeidt,
met hemelse barmhartigheid.

Verlicht ons duistere verstand,
geef dat ons hart van liefde brandt,
en dat ons zwakke lichaam leeft
vanuit de kracht die Gij het geeft.

Doe ons de Vader en de Zoon
aanschouwen in de hoge troon,
O Geest van beiden uitgegaan,
wij bidden U gelovig aan.

Aan God de Vader zij de eer
en aan de Zoon, die uit de doden
is opgestaan, en aan de Vertrooster,
van eeuwigheid tot eeuwigheid.
Amen


Reincarnations (Op. 16., 1942)

Samuel Barber (1910-1981) on poems by James Stephens (1882-1950)

I. Mary Hynes

She is the sky Of the Sun!
She is the dart Of love!
She is the love Of my heart!
She is a rune!
She is above the women
of the race of Eve,
as the sun is above the moon!
Lovely and airy
the view from the hill
that looks down on Ballylea!
But no good sight is good,
until by great good luck
you see the blossom of branches
walking towards you,
Airily.

Zij is het zwerk van de zon!
Zij de spies van de liefde!
Zij is de liefde van mijn hart!
Zij is een rune!
Zij is verheven boven de vrouwen
Van het ras van Eva,
Zoals de zon verheven is boven de maan!
Lieflijk en luchtig
Het uitzicht vanaf de heuvel
Die uitziet over Ballylea!
Maar geen goede aanblik is goed,
Tot je enorm geluk hebt
En de bloesem van takken
In jouw richting ziet wandelen
Luchtig.

II. Anthony O’Daly

Since your limbs were laid out
the stars do not shine!
The fish leap not out
in the waves!
On our meadows the dew
does not fall in the morn,
for O’Daly is dead!
Not a flower can be born!
Not a word can be said!
Not a tree have a leaf!
On our meadows the dew
does not fall in the morn,
for O’Daly is dead.
Anthony!
After you there is nothing to do!
There is nothing but grief!

Sinds jouw ledematen werden afgelegd
schijnen de sterren niet!
De vissen springen niet op
in de golven
Op onze weiden valt
in de morgen de dauw niet
want O’Daly is dood!
Geen bloem kan ontspringen!
Geen woord kan worden gezegd!
Geen boom kan een blad krijgen!
Op onze weiden valt
in de morgen de dauw niet
want O’Daly is dood!
Anthony!
Na jou is er niets te doen!
Er is niets dan verdriet!

III. The Coolin

Come with me, under my coat,
and we will drink our fill
of the milk of the white goat,
or wine if it be thy will.
And we will talk,
until talk is a trouble, too,
out on the side of the hill;
And nothing is left to do,
but an eye to look into an eye;
and a hand in a hand to slip;
and a sigh to answer a sigh,
and a lip to find out a lip!
What if the night be black!
And the air on the mountain chill!
Where the goat lies down in her track,
and all but the fern is still!
Stay with me, under my coat!
And we will drink our fill
of the milk of the white goat,
out on the side of the hill!

Kom met mij, onder mijn jas,
en wij zullen wij naar hartelust
drinken van de melk van de witte geit,
of wijn als je dat liever hebt.
En we zullen praten,
totdat ook praten vermoeiend wordt,
buiten op de flank van de heuvel;
en niets meer gedaan hoeft te worden,
behalve een oog dat in een oog kijkt;
en een hand die in een hand glijdt;
en een zucht om een zucht te beantwoorden,
en een lip om een lip te zoeken!
Wat maakt het uit als de nacht zwart is!
En de lucht op de berg koud is!
Waar de geit neerligt op haar pad,
En alles stil is behalve de varens!
Blijf bij mij, onder mijn jas,
en wij zullen naar hartelust
drinken van de melk van de witte geit,
buiten op de flank van de heuvel.


The Unicorn, the Gorgon and the Manticore (1956)
or: The Three Sundays of a Poet

Gian Carlo Menotti (1911-2007)

Introduction
There once lived a Man in a Castle,
and a strange man was he.
He shunned the Countess' parties;
he yawned at town meetings;
he would not let the doctor take his pulse;
he did not go to church on Sundays.
Oh what a strange man is the Man in the Castle!

Inleiding
Er woonde eens een man in een kasteel
en een vreemde man was dat.
Hij meed de feestjes van de hertogin;
hij gaapte bij vergaderingen op het stadhuis;
hij liet de dokter zijn pols niet voelen;
hij ging ‘s zondags niet naar de kerk.
O, wat een vreemde man is de man in het kasteel!

First madrigal
Ev'ry Sunday afternoon,
soft winds fanning the fading sun,
all the respectable folk went out walking slowly
on the pink promenade by the sea.
Proud husbands velvety-plump,
with embroider'd silk-pale ladies.
At four o'clock they all greeted each other;
They spoke ill of each other at six:

Women
"How d'you do?" "Very well, thank you."
"Have you heard?" "Pray, do tell me."
"Tcha tcha tcha tcha tcha ra tcha ra tcha..."
"How funny, how amusing, how odd! Ha ha ha ha!"
"How well you look!" "How pretty your dress!"
"Thank you." "Thank you."
"Good-bye." "Good-bye."
"Isn't she a gossip!" "Isn't she a fright!"

Men
"How d'you do?" "Very well, thank you."
"What do you think of this and that?"
"In my humble opinion: Bla bla bla bla la la la bla..."
"How profound, how clever, how true!
Only you could understand me."
"Thank you." "Thank you."
"Good-bye." "Good-bye."
"Oh, what a pompous ass!"
"Oh, what a fool!"

Eerste madrigaal
Elke zondagmiddag,
als een zacht briesje de de kwijnende zon aanblies,
gingen alle notabelen naar buiten uit
voor een trage wandeling langs de promenade bij de zee.
Trotse echtgenoten, fluwelig vlezig,
met geborduurde zijig-bleke dames.
Om vier uur groetten allen elkaar;
ze spraken kwaad van elkaar om zes uur.

Dames:
‘Hoe gaat het met u?’ ‘Uitstekend, dank u.’
‘Hebt u het gehoord?’ ‘Vertel het me, alstublieft’
‘Tcha tcha …’
‘Wat grappig, wat amusant, wat merkwaardig! Ha ha ha!’
‘Wat ziet u er goed uit!’ ‘Wat is uw jurk mooi!’
‘Dank u.’ ‘Dank u.’
‘Tot ziens.’ ‘Tot ziens.’
‘Wat een roddelaarster, hè!’ ‘Wat een volgeverschrikker!’

Heren:
‘Hoe gaat het met u?’ ‘Uitstekend, dank u.’
‘Wat denkt u van zus en zo?’
‘Naar mijn bescheiden mening: Bla bla ….’
‘Wat diepzinnig, wat slim, volkomen waar!
Wie anders dan u zou mij kunnen begrijpen?’
‘Dank u.’ ‘Dank u.’
‘Tot ziens’ ‘Tot ziens.’
‘O, wat een opgeblazen ezel!’
‘O, wat een malloot!’

Second madrigal
(Enter the Man in the Castle and the Unicorn)
One Sunday afternoon the proud Man in the Castle
joined the crowd in the promenade by the sea.
He walked slowly down the quai
leading by a silver chain a captive unicorn.
The townsfolk stopped to stare at the ill-assorted pair.
Thinking the man insane some laughed with pity, some laughed with scorn:

"What a scandalous sight to see a grown-up man
promenade a unicorn in plain daylight all through the city"

"If one can stroke the cat and kick the dog;
if one can pluck the peacock and flee the bee;
if one can ride the horse and hook the hog;
if one can tempt the mouse and swat the fly,
Why, why would a man both rich and well-born raise a unicorn?"
"If one can strike the boar with the spear and pierce the lark with an arrow;
if one can hunt the fox and the deer, and net the butterfly and eat the sparrow;
if one can bid the falcon fly and let the robin die;
Why, why would a man both rich and well-born raise a unicorn?"
"If one can skin the mole and crush the snake;
if one can tame the swan on the lake and harpoon the dolphin in the sea;
if one can chain the bear and train the flea;
if one can sport with the monkey and chatter with the magpie,
Why, why would a man both rich and well-born raise a unicorn?"

Tweede madrigaal
(De man in het kasteel en de eenhoorn komen op)
Op een zondagmiddag voegde zich de man in het kasteel
bij de menigte op de promenade bij de zee.
Hij wandelde langzaam langs de kade
en voerde aan een zilveren ketting een gevangen eenhoorn mee.
Het stadsvolk stond stil en staarde naar het
niet harmoniërende paar.
Sommigen dachten dat de man gek was en lachten uit medelijden,
anderen uit minachting:

‘Wat een schandalig gezicht, om een volwassen man
op klaarlichte dag dwars door de stad een eenhoorn te zien uitlaten’

‘Als je de kat kunt aaien en de hond een schop geven;
als je de pauw kunt plukken en de bij ontvluchten;
als je het paard kunt rijden en het varken aan een haak slaan;
als je de muis kunt verleiden en de vlieg doodslaan;
waarom, waarom zou dan een man die rijk is en van goede komaf,
een eenhoorn grootbrengen?’
‘Als je het zwijn met een speer kunt treffen
en de leeuwerik met een spijl kunt doorboren;
als je op de vos en het hert kunt jagen,
en de vlinder vangen in je net en de mus opeten;
als je de valk kunt laten vliegen en het roodborstje laten sterven,
Waarom, waarom zou een man die rijk is en van goede komaf,
een eenhoorn grootbrengen?’
Als je de mol kunt villen en de slang verpletteren;
Als je zwaan op het meer kunt temmen en de dolfijn op zee
kunt harpoeneren;
als je de beer aan de ketting kunt leggen en de vlo kunstjes leren;
als je kunt dollen met de aap en kletsen met de ekster,
Waarom, waarom zou een man die rijk is en van goede komaf,
een eenhoorn grootbrengen?