Tekst en vertaling Johannes Passion

Deze teksten en vertalingen staan ook in het programmaboekje, dat je bij het concert kunt kopen.


Deel 1

Nr. 1 Koor

Herr, unser Herrscher, dessen Ruhm
in allen Landen herrlich ist!
Zeig uns durch deine Passion,
Daß du, der wahre Gottessohn,
Zu aller Zeit,
Auch in der größten Niedrigkeit,
Verherrlicht worden bist! Da capo.

Heer, onze Heerser, wiens roem
in alle landen heerlijk is!
Toon ons door Uw lijden
dat Gij, de ware Zoon van God
te allen tijde,
ook in de uiterste onaanzienlijkheid,
verheerlijkt bent.


Jezus’ gevangenneming (Johannes 18, 1-11)

Nr. 2a Recitatief

Evangelist: Jesus ging mit seinen Jüngern über den Bach Kidron, da war ein Garten, darein ging Jesus und seine Jünger. Judas aber, der ihn verriet, wußte den Ort auch, denn Jesus versammlete sich oft daselbst mit seinen Jüngern. Da nun Judas zu sich hatte genommen die Schar und der Hohenpriester und Pharisäer Diener, kommt er dahin mit Fackeln, Lampen und mit Waffen. Als nun Jesus wußte alles, was ihm begegnen sollte, ging er hinaus und sprach zu ihnen:

Jesus: Wen suchet ihr?

Evangelist: Sie antworteten ihm:

Evangelist: Jezus ging met zijn discipelen naar de overzijde van de beek Kidron, waar een hof was, die Hij met zijn discipelen binnenging. En ook Judas, zijn verrrader, wist die plaats, omdat Jezus daar dikwijls was samengekomen met zijn discipelen. Judas dan kwam daar, die een afdeling soldaten tot zijn beschikking had gekregen en dienaars van de overpriesters en de Farizeeën, voorzien van lantaarns, fakkels en wapenen. Jezus dan, alles wetende, wat over Hem komen zou, kwam naar voren en zeide tot hen:

Jezus: Wie zoekt gij?

Evangelist: Zij antwoordden Hem:


Nr. 2b Koor

Jesum von Nazareth!

Jezus van Nazareth!


Nr. 2c Recitatief

Evangelist: Jesus spricht zu ihnen:

Jesus: Ich bins.

Evangelist: Judas aber, der ihn verriet, stund auch bei ihnen. Als nun Jesus zu ihnen sprach: Ich bins, wichen sie zurücke und fielen zu Boden. Da fragete er sie abermal:

Jesus: Wen suchet ihr?

Evangelist: Sie aber sprachen:

Evangelist: Jezus zeide tot hen:

Jezus: Ik ben het.

Evangelist: En ook Judas, zijn verrader, stond bij hen. Toen Hij dan tot hen zeide: Ik ben het, deinsden zij terug en vielen ter aarde. Wederom dan stelde Hij hun de vraag:

Jezus: Wie zoekt gij?

Evangelist: En zij zeiden:


Nr. 2d Koor

Jesum von Nazareth!

Jezus van Nazareth!


Nr. 2e Recitatief

Evangelist: Jesus antwortete:

Jesus: Ich habs euch gesagt, daß ichs sei; suchet ihr denn mich, so lasset diese gehen!

Evangelist: Jezus antwoordde:

Jezus: Ik zeide u, dat Ik het ben. Indien gij dan Mij zoekt, laat dezen heengaan;


Nr. 3 Koraal

O große Lieb, o Lieb ohn alle Maße,
Die dich gebracht auf diese Marterstraße!
Ich lebte mit der Welt in Lust und Freuden,
Und du mußt leiden!

O grote liefde, o liefde zonder maat
die u op deze lijdensweg gebracht heeft!
Ik leefde in een wereld vol lust en vreugde,
terwijl Gij moest lijden!


Nr. 4 Recitatief

Evangelist: Auf daß das Wort erfüllet würde, welches er sagte: Ich habe der keine verloren, die du mir gegeben hast. Da hatte Simon Petrus ein Schwert und zog es aus und schlug nach des Hohenpriesters Knecht und hieb ihm sein recht Ohr ab; und der Knecht hieß Malchus. Da sprach Jesus zu Petro:

Jesus: Stecke dein Schwert in die Scheide! Soll ich den Kelch nicht trinken, den mir mein Vater gegeben hat?

Evangelist: Opdat het woord vervuld werd, dat Hij gesproken had: Wie Gij Mij gegeven hebt, uit hen heb Ik niemand laten verloren gaan. Simon Petrus dan, die een zwaard had, trok het, en hij trof de slaaf van de hogepriester en sloeg hem het rechteroor af; de naam nu van de slaaf was Malchus. Jezus dan zeide tot Petrus:

Jezus: Steek het zwaard in de schede; de beker, die de Vader Mij gegeven heeft, zou Ik die niet drinken?


Nr. 4 Koraal

Dein Will gescheh, Herr Gott, zugleich
Auf Erden wie im Himmelreich.
Gib uns Geduld in Leidenszeit,
Gehorsam sein in Lieb und Leid;
Wehr und steur allem Fleisch und Blut,
Das wider deinen Willen tut!

Uw wil geschiede, Heer God, zowel
op aarde als in het hemelrijk.
Geef ons geduld in de tijd van het lijden,
gehoorzaamheid in lief en leed;
Weerstreef en bestrijd alle vlees en bloed,
dat tegen uw wil in handelt.


Jezus voor de hogepriesters (Johannes 18, 12-;27; Mattheus 26, 75)

Nr. 6 Recitatief

Evangelist: Die Schar aber und der Oberhauptmann und die Diener der Juden nahmen Jesum und bunden ihn und führeten ihn, aufs erste zu Hannas, der war Kaiphas Schwäher, welcher des Jahres Hoherpriester war. Es war aber Kaiphas, der den Juden riet, es wäre gut, daß ein Mensch würde umbracht für das Volk.

Evangelist: De afdeling soldaten dan en de overste en de dienaars der Joden namen Jezus gevangen, boeiden Hem, en brachten Hem eerst voor Annas, want hij was de schoonvader van Kajafas, die dat jaar hogepriester was; en Kajafas was het, die de Joden de raad had gegeven: Het is nuttig, dat één mens sterft ten behoeve van het volk.


Nr. 7 Aria (alt)

Von den Stricken meiner Sünden
Mich zu entbinden,
Wird mein Heil gebunden.
Mich von allen Lasterbeulen
Völlig zu heilen,
Läßt er sich verwunden. Da capo.

Om mij van uit de boeien van mijn zonden
los te maken,
wordt mijn Heiland vastgebonden.
Om mij van alle gezwellen van mijn slechtheid
volledig te genezen,
laat Hij zich verwonden.


Nr. 8 Recitatief

Evangelist: Simon Petrus aber folgete Jesu nach und ein ander Jünger.

Evangelist: En Simon Petrus en een andere discipel volgden Jezus.


Nr. 9 Aria (sopraan)

Ich folge dir gleichfalls mit freudigen Schritten
Und lasse dich nicht,
Mein Leben, mein Licht.
Befördre den Lauf
Und höre nicht auf,
Selbst an mir zu ziehen,
zu schieben, zu bitten. Da capo.

Ik volg U eveneens met vreugdevolle schreden
en verlaat u niet,
mijn leven, mijn licht.
Begunstig mijn pad
en houd niet op
zelf aan mij te trekken,
me bij te sturen, me aan te sporen.


Nr. 10 Recitatief

Evangelist: Derselbige Jünger war dem Hohenpriester bekannt und ging mit Jesu hinein in des Hohenpriesters Palast. Petrus aber stund draußen vor der Tür. Da ging der andere Jünger, der dem Hohenpriester bekannt war, hinaus und redete mit der Türhüterin und führete Petrum hinein. Da sprach die Magd, die Türhüterin, zu Petro:

Ancilla: Bist du nicht dieses Menschen Jünger einer?

Evangelist: Er sprach:

Petrus: Ich bins nicht!

Evangelist: Es stunden aber die Knechte und Diener und hatten ein Kohlfeu’r gemacht (denn es war kalt) und wärmeten sich. Petrus aber stund bei ihnen und wärmete sich. Aber der Hohepriester fragte Jesum um seine Jünger und um seine Lehre. Jesus antwortete ihm:

Jesus: Ich habe frei, öffentlich geredet vor der Welt. Ich habe allezeit gelehret in der Schule und in dem Tempel, da alle Juden zusammenkommen, und habe nichts im Verborgnen geredt. Was fragest du mich darum? Frage die darum, die gehöret haben, was ich zu ihnen geredet habe! Siehe, dieselbigen wissen, was ich gesaget habe!

Evangelist: Als er aber solches redete, gab der Diener einer, die dabeistunden, Jesu einen Backenstreich und sprach:

Servus: Solltest du dem Hohenpriester also antworten?

Evangelist: Jesus aber antwortete:

Jesus: Hab ich übel geredt, so beweise es, daß es böse sei, hab ich aber recht geredt, was schlägest du mich?

Evangelist: En die discipel was een bekende van de hogepriester en hij ging met Jezus het paleis van de hogepriester binnen, maar Petrus stond buiten aan de poort. De andere discipel dan, de bekende van de hogepriester, kwam naar buiten, en hij sprak met de portierster en bracht Petrus binnen. De slavin dan, die portierster was, zeide tot Petrus:

Maagd: Gij behoort toch ook niet tot de discipelen van deze mens?

Evangelist: Hij zeide:

Petrus: Ik niet!

Evangelist: De slaven en de dienaars stonden zich te warmen bij een kolenvuur, dat zij aangelegd hadden want het was koud, en ook Petrus stond zich bij hen te warmen. De hogepriester dan vroeg Jezus naar zijn discipelen en naar zijn leer. Jezus antwoordde hem:

Jezus: Ik heb vrijuit tot de wereld gesproken; Ik heb voortdurend in de synagoge geleerd en in de tempel, waar al de Joden bijeenkomen, en in het verborgen heb Ik niets gesproken. Waarom vraagt gij Mij? Vraag hun, die gehoord hebben, wat Ik tot hen gesproken heb; zie, dezen weten, wat Ik gezegd heb.

Evangelist: En toen Hij dit zeide, gaf een van de dienaars, die erbij stond, Jezus een slag in het gelaat en zeide:

Dienaar: Antwoordt Gij zo de hogepriester?

Evangelist: Jezus antwoordde hem:

Jezus: Indien Ik verkeerd gesproken heb, geef aan wat verkeerd was, maar indien het goed was waarom slaat gij Mij?


Nr. 11 Koraal

Wer hat dich so geschlagen,
Mein Heil, und dich mit Plagen
So übel zugericht’?
Du bist ja nicht ein Sünder,
Wie wir und unsre Kinder,
Von Missetaten weißt du nicht.

Ich, ich und meine Sünden,
Die sich wie Körnlein finden
Des Sandes an dem Meer,
Die haben dir erreget
Das Elend, das dich schläget,
Und das betrübte Marterheer.

Wie heeft U zo geslagen,
mijn Heiland, en U met plagen
zoveel kwaad gedaan?
Gij zijt toch immers geen zondaar,
zoals wij en onze kinderen;
van euveldaden weet Gij niet.

Ik, ik en mijn zonden
die zich als de korrels van het zand
aan zee laten vinden,
díe hebben U toch
de ellende berokkend, die U treft,
en de droevige schare van martelaren.


Nr. 12a Recitatief

Evangelist: Und Hannas sandte ihn gebunden zu dem Hohenpriester Kaiphas. Simon Petrus stund und wärmete sich; da sprachen sie zu ihm:

Evangelist: Annas dan zond Hem geboeid naar Kajafas, de hogepriester. En Simon Petrus stond zich te warmen. Zij zeiden dan tot hem:


Nr. 12b Koor

Bist du nicht seiner Jünger einer?

Gij behoort toch ook niet tot zijn discipelen?


Nr. 12c Recitatief

Evangelist: Er leugnete aber und sprach:

Petrus: Ich bins nicht!

Evangelist: Spricht des Hohenpriesters Knecht’ einer, ein Gefreundter des, dem Petrus das Ohr abgehauen hatte:

Servus: Sahe ich dich nicht im Garten bei ihm?

Evangelist: Da verleugnete Petrus abermal, und alsobald krähete der Hahn. Da gedachte Petrus an die Worte Jesu und ging hinaus und weinete bitterlich.

Evangelist: Hij ontkende het en zeide:

Petrus: Ik niet!

Evangelist: Een der slaven van de hogepriester, een verwant van hem, wiens oor Petrus had afgeslagen, zeide:

Dienaar: Zag ik u niet in de hof met Hem?

Evangelist: Petrus dan ontkende het wederom en terstond daarop kraaide een haan. Daarop herinnerde Petrus zich de woorden van Jezus en ging naar buiten en weende bitter.


Nr. 13 Aria (tenor)

Ach, mein Sinn,
Wo willt du endlich hin,
Wo soll ich mich erquicken?
Bleib ich hier,
Oder wünsch ich mir
Berg und Hügel auf den Rücken?
Bei der Welt ist gar kein Rat,
Und im Herzen
Stehn die Schmerzen
Meiner Missetat,
Weil der Knecht den Herrn verleugnet hat.

Ach, mijn geest,
waar wil je uiteindelijk heen,
waar zal ik mij verkwikken?
Blijf ik hier,
of wens ik mij
berg en heuvel op mijn rug?
In de wereld is helemaal geen raad
en in mijn hart
staan de pijnigingen
van mijn wandaad,
omdat de knecht zijn heer verloochend heeft.


Nr. 14 Koraal

Petrus, der nicht denkt zurück,
Seinen Gott verneinet,
Der doch auf ein’ ernsten Blick
Bitterlichen weinet.
Jesu, blicke mich auch an,
Wenn ich nicht will büßen;
Wenn ich Böses hab getan,
Rühre mein Gewissen!

Petrus, die het zich niet herinnert,
verloochent zijn God,
maar bij een ernstige blik
moet hij toch bitter wenen.
Jezus, kijk mij ook zo aan,
als ik niet wil boeten;
als ik kwaad gedaan heb,
raak dan mijn geweten aan!

Deel 2


Nr. 15 Koraal

Christus, der uns selig macht,
Kein Bös’ hat begangen,
Der ward für uns in der Nacht
Als ein Dieb gefangen,
Geführt vor gottlose Leut
Und fälschlich verklaget,
Verlacht, verhöhnt und verspeit,
Wie denn die Schrift saget.

Christus, die ons zalig maakt,
die geen kwaad heeft bedreven,
die werd voor ons in de nacht
als een dief gevangengenomen.
Geleid voor goddeloze lieden
en valselijk beschuldigd,
bespot, beschimpt en bespuwd,
zoals de Schrift het zegt.


Jezus en Pilatus (Johannes 18,28-40; 19,1-22)

Nr. 16a Recitatief

Evangelist: Da führeten sie Jesum von Kaiphas vor das Richthaus, und es war frühe. Und sie gingen nicht in das Richthaus, auf daß sie nicht unrein würden, sondern Ostern essen möchten. Da ging Pilatus zu ihnen heraus und sprach:

Pilatus: Was bringet ihr für Klage wider diesen Menschen?

Evangelist: Sie antworteten und sprachen zu ihm:

Evangelist: Zij brachten Jezus dan van Kajafas naar het gerechtsgebouw. En het was vroeg in de morgen; doch zelf gingen zij het gerechtsgebouw niet binnen, om zich niet te verontreinigen, maar het Pascha te kunnen eten. Pilatus dan kwam tot hen naar buiten en zeide:

Pilatus: Welke aanklacht brengt gij tegen deze mens in?

Evangelist: Zij antwoordden en zeiden tot hem:


Nr. 16b Koor

Wäre dieser nicht ein Übeltäter, wir hätten dir ihn nicht überantwortet.

Indien Hij geen boosdoener was, zouden wij Hem niet aan u overgeleverd hebben.


Nr. 16c Recitatief

Evangelist: Da sprach Pilatus zu ihnen:

Pilatus: So nehmet ihr ihn hin und richtet ihn nach eurem Gesetze!

Evangelist: Da sprachen die Juden zu ihm:

Evangelist: Pilatus dan zeide tot hen:

Pilatus: Neemt gij Hem en oordeelt Hem naar uw wet.

Evangelist: De Joden dan zeiden tot hem:


Nr 16d Koor

Wir dürfen niemand töten.

Het is ons niet geoorloofd iemand ter dood te brengen.


Nr 16e Recitatief

Evangelist: Auf daß erfüllet würde das Wort Jesu, welches er sagte, da er deutete, welches Todes er sterben würde. Da ging Pilatus wieder hinein in das Richthaus und rief Jesu und sprach zu ihm:

Pilatus: Bist du der Juden König?

Evangelist: Jesus antwortete:

Jesus: Redest du das von dir selbst, oder habens dir andere von mir gesagt?

Evangelist: Pilatus antwortete:

Pilatus: Bin ich ein Jude? Dein Volk und die Hohenpriester haben dich mir überantwortet; was hast du getan?

Evangelist: Jesus antwortete:

Jesus: Mein Reich ist nicht von dieser Welt; wäre mein Reich von dieser Welt, meine Diener würden darob kämpfen, daß ich den Juden nicht überantwortet würde; aber nun ist mein Reich nicht von dannen.

Evangelist: opdat het woord van Jezus vervuld werd, dat Hij gezegd had, aanduidende, welke dood Hij sterven zou. Pilatus dan keerde terug in het gerechtsgebouw en riep Jezus en zeide tot Hem:

Pilatus: Zijt Gij de Koning der Joden?

Evangelist: Jezus antwoordde:

Jezus: Zegt gij dit uit uzelf of hebben anderen u over Mij gesproken?

Evangelist: Pilatus antwoordde:

Pilatus: Ben ik soms een Jood? Uw volk en de overpriesters hebben U aan mij overgeleverd; wat hebt Gij gedaan?

Evangelist: Jezus antwoordde:

Jezus: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld; indien mijn Koninkrijk van deze wereld geweest was zouden mijn dienaars gestreden hebben opdat Ik niet aan de Joden zou worden overgeleverd; nu echter is mijn Koninkrijk niet van hier.


Nr. 17 Koraal

Ach großer König, groß zu allen Zeiten,
Wie kann ich gnugsam diese Treu ausbreiten?
Keins Menschen Herze mag indes ausdenken,
Was dir zu schenken.

Ich kanns mit meinen Sinnen nicht erreichen,
Womit doch dein Erbarmen zu vergleichen.
Wie kann ich dir denn deine Liebestaten
Im Werk erstatten?

O grote Koning, groot te allen tijde,
hoe kan ik deze trouw voldoende verspreiden?
Geen mensenhart kan toch bedenken,
wat U te schenken.

Ik kan er met mijn verstand niet bij
waarmee Uw ontferming toch te vergelijken is.
Hoe kan ik U dan uw liefdesdaden
in mijn werken terugbetalen?


Nr. 18a Recitatief

Evangelist: Da sprach Pilatus zu ihm:

Pilatus: So bist du dennoch ein König?

Evangelist: Jesus antwortete:

Jesus: Du sagsts, ich bin ein König. Ich bin dazu geboren und in die Welt kommen, daß ich die Wahrheit zeugen soll. Wer aus der Wahrheit ist, der höret meine Stimme.

Evangelist: Spricht Pilatus zu ihm:

Pilatus: Was ist Wahrheit?

Evangelist: Und da er das gesaget, ging er wieder hinaus zu den Juden und spricht zu ihnen:

Pilatus: Ich finde keine Schuld an ihm. Ihr habt aber eine Gewohnheit, daß ich euch einen losgebe; wollt ihr nun, daß ich euch der Juden König losgebe?

Evangelist: Da schrieen sie wieder allesamt und sprachen:

Evangelist: Pilatus dan zeide tot Hem:

Pilatus: Zijt Gij dus toch een koning?

Evangelist: Jezus antwoordde:

Jezus: Gij zegt, dat Ik koning ben. Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik voor de waarheid zou getuigen; een ieder, die uit de waarheid is, hoort maar mijn stem.

Evangelist: Pilatus zeide tot Hem:

Pilatus: Wat is waarheid?

Evangelist: En na dit gezegd te hebben, kwam hij weder naar buiten tot de Joden en zeide tot hen:

Pilatus: Ik vind geen schuld in Hem. Maar bij u bestaat het gebruik, dat ik u op Pascha iemand loslaat: wilt gij dan dat ik u de Koning der Joden loslaat?

Evangelist: Zij schreeuwden dan wederom en zeiden:


Nr. 18b Koor

Nicht diesen, sondern Barrabam!

Hem niet, maar Barabbas!


Nr. 18c Recitatief

Evangelist: Barrabas aber war ein Mörder. Da nahm Pilatus Jesum und geißelte ihn.

Evangelist: En Barabbas was een rover. Toen nam dan Pilatus Jezus en liet Hem geselen.


Nr. 19 Arioso (bas)

Betrachte, meine Seel, mit ängstlichem Vergnügen,
Mit bittrer Lust und halb beklemmtem Herzen
Dein höchstes Gut in Jesu Schmerzen,
Wie dir auf Dornen, so ihn stechen,
Die Himmelsschlüsselblumen blühn!
Du kannst viel süße Frucht von seiner Wermut brechen,
Drum sieh ohn Unterlaß auf ihn!

Beschouw, mijn ziel, met angstig genoegen,
met bittere vreugde en half beklemd hart,
je hoogste goed in Jezus’ smarten,
hoe voor jou op de doornen, die hem steken
de hemel-sleutelbloemen bloeien!
Je kunt vele zoete vruchten van zijn bitterheid plukken,
houdt Hem daarom zonder onderbreking in het oog.


Nr. 20 Aria (tenor)

Erwäge, wie sein blutgefärbter Rücken
In allen Stücken
Dem Himmel gleiche geht,
Daran, nachdem die Wasserwogen
Von unsrer Sündflut sich verzogen,
Der allerschönste Regenbogen
Als Gottes Gnadenzeichen steht! Da capo.

Bedenk, hoe Zijn door bloed gekleurde rug
in alle opzichten
met de hemel overeenstemt,
waaraan, nadat de watergolven
van onze zondvloed zich hebben teruggetrokken,
de allermooiste regenboog
als Gods genadeteken staat!


Nr. 21a Recitatief

Evangelist: Und die Kriegsknechte flochten eine Krone von Dornen und satzten
sie auf sein Haupt und legten ihm ein Purpurkleid an und sprachen:

Evangelist: En de soldaten vlochten een kroon van doornen, zetten die op zijn hoofd en deden Hem een purperen kleed om, en zij traden op Hem toe en zeiden:


Nr. 21b Koor

Sei gegrüßet, lieber Judenkönig!

Gegroet, Koning der Joden!


Nr. 21c Recitatief

Evangelist: Und gaben ihm Backenstreiche. Da ging Pilatus wieder heraus und sprach zu ihnen:

Pilatus: Sehet, ich führe ihn heraus zu euch, daß ihr erkennet, daß ich keine Schuld an ihm finde.

Evangelist: Also ging Jesus heraus und trug eine Dornenkrone und Purpurkleid. Und er sprach zu ihnen:

Pilatus: Sehet, welch ein Mensch!

Evangelist: Da ihn die Hohenpriester und die Diener sahen, schrieen sie und sprachen:

Evangelist: En zij gaven Hem slagen in het gelaat. En Pilatus kwam wederom naar buiten en zeide tot hen:

Pilatus: Zie, ik breng Hem voor u naar buiten, opdat gij weet, dat ik geen schuld in Hem vind.

Evangelist: Jezus dan kwam naar buiten met de doornenkroon en het purperen kleed. En hij zeide tot hen:

Pilatus: Zie, de mens!

Evangelist: Toen dan de overpriesters en hun dienaars Hem zagen, schreeuwden zij en zeiden:


Nr. 21d Koor

Kreuzige, kreuzige!

Kruisigen, kruisigen!


Nr. 21e Recitatief

Evangelist: Pilatus sprach zu ihnen:

Pilatus: Nehmet ihr ihn hin und kreuziget ihn; denn ich finde keine Schuld an ihm!

Evangelist: Die Juden antworteten ihm:

Evangelist: Pilatus zeide tot hen:

Pilatus: Neemt gij Hem en kruisigt Hem want ik vind geen schuld in Hem.

Evangelist: De Joden antwoordden hem:


Nr. 21f Koor

Wir haben ein Gesetz, und nach dem Gesetz soll er sterben; denn er hat sich selbst zu Gottes Sohn gemacht.

Wij hebben een wet en naar die wet moet Hij sterven, want Hij heeft Zichzelf Gods Zoon gemaakt.


Nr. 21g Recitatief

Evangelist: Da Pilatus das Wort hörete, fürchtet’ er sich noch mehr und ging wieder hinein in das Richthaus und spricht zu Jesu:

Pilatus: Von wannen bist du?

Evangelist: Aber Jesus gab ihm keine Antwort. Da sprach Pilatus zu ihm:

Pilatus: Redest du nicht mit mir? Weißest du nicht, daß ich Macht habe, dich zu kreuzigen, und Macht habe, dich loszugeben?

Evangelist: Jesus anwortete:

Jesus: Du hättest keine Macht über mich, wenn sie dir nicht wäre von oben herab gegeben; darum, der mich dir überantwortet hat, der hat’s größ’re Sünde.

Evangelist: Von dem an trachtete Pilatus, wie er ihn losließe.

Evangelist: Toen Pilatus dan dit woord hoorde, werd hij nog meer bevreesd, en hij ging weder het gerechtsgebouw binnen en zeide tot Jezus:

Pilatus: Waar zijt Gij vandaan?

Evangelist: Maar Jezus gaf hem geen antwoord. Pilatus dan zeide tot Hem:

Pilatus: Spreekt Gij niet tot mij? Weet Gij niet, dat ik macht heb U los te laten, maar ook macht om U te kruisigen?

Evangelist: Jezus antwoordde:

Jezus: Gij zoudt geen macht tegen Mij hebben indien het u niet van boven gegeven ware: daarom heeft hij, die Mij aan u heeft overgeleverd groter zonde.

Evangelist: Van toen af trachtte Pilatus Hem los te laten.


Nr. 22 Koraal

Durch dein Gefängnis, Gottes Sohn,
Muß uns die Freiheit kommen;
Dein Kerker ist der Gnadenthron,
Die Freistatt aller Frommen;
Denn gingst du nicht die Knechtschaft ein,
Müßt unsre Knechtschaft ewig sein.

Door Uw gevangenschap, zoon van God,
moet voor ons de vrijheid komen;
Uw kerker is de genadetroon,
de vrijplaats voor alle vromen;
Want als Gij niet de knechtschap was aangegaan,
had onze knechtschap eeuwig moeten zijn.


Nr. 23a Recitatief

Evangelist: Die Juden aber schrieen und sprachen:

Evangelist: maar de Joden schreeuwden en zeiden:


Nr. 23b Koor

Lässest du diesen los, so bist du des Kaisers Freund nicht; denn wer sich zum
Könige machet, der ist wider den Kaiser.

Indien gij deze loslaat, zijt gij geen vriend van de keizer; een ieder, die zich koning maakt, verzet zich tegen de keizer.


Nr. 23c Recitatief

Evangelist: Da Pilatus das Wort hörete, führete er Jesum heraus und satzte sich auf den Richtstuhl, an der Stätte, die da heißet: Hochpflaster, auf Ebräisch aber: Gabbatha. Es war aber der Rüsttag in Ostern um die sechste Stunde, und er spricht zu den Juden:

Pilatus: Sehet, das ist euer König!

Evangelist: Sie schrieen aber:

Evangelist: Pilatus dan hoorde deze woorden en hij liet Jezus naar buiten brengen en zette zich op de rechterstoel, op de plaats, genaamd Litostrótos, in het Hebreeuws Gabbata. En het was Voorbereiding voor het Pascha, ongeveer het zesde uur, en hij zeide tot de Joden:

Pilatus: Zie, uw koning!

Evangelist: Zij dan schreeuwden:


Nr. 23d Koor

Weg, weg mit dem, kreuzige ihn!

Weg met Hem! Weg met Hem! Kruisig Hem!


Nr. 23e Recitatief

Evangelist: Spricht Pilatus zu ihnen:

Pilatus: Soll ich euren König kreuzigen?

Evangelist: Die Hohenpriester antworteten:

Evangelist: Pilatus zeide tot hen:

Pilatus: Moet ik uw koning kruisigen?

Evangelist: De overpriesters antwoordden:


Nr. 23f Koor

Wir haben keinen König denn den Kaiser.

Wij hebben geen koning, alleen de keizer!


Nr. 23g Recitatief

Evangelist: Da überantwortete er ihn, daß er gekreuziget würde. Sie nahmen aber Jesum und führeten ihn hin. Und er trug sein Kreuz und ging hinaus zur Stätte, die da heißet Schädelstätt, welche heißet auf Ebräisch: Golgatha.

Evangelist: Toen gaf hij Hem aan hen over om gekruisigd te worden. Zij dan namen Jezus en voerden hem heen, en Hij, zelf zijn kruis dragende, ging naar de zogenaamde Schedelplaats, in het Hebreeuws genaamd Golgota.


Nr. 24 Aria (bas) met koor

Eilt, ihr angefochtnen Seelen,
Geht aus euren Marterhöhlen,
Eilt – Wohin? – nach Golgatha!
Nehmet an des Glaubens Flügel,
Flieht – Wohin? – zum Kreuzeshügel,
Eure Wohlfahrt blüht allda! Da capo.

Haast u, zwaar beproefde zielen,
verlaat uw martelaarsholen.
Haast u – Waarheen?– naar Golgotha!
Gebruik de vleugels van het geloof,
vlucht – Waarheen?– naar de heuvel van het kruis,
uw welzijn bloeit aldaar.


Nr. 25a Recitatief

Evangelist: Allda kreuzigten sie ihn, und mit ihm zween andere zu beiden Seiten, Jesum aber mitten inne. Pilatus aber schrieb eine Überschrift und satzte sie auf das Kreuz, und war geschrieben: «Jesus von Nazareth, der Juden König». Diese Überschrift lasen viel Juden, denn die Stätte war nahe bei der Stadt, da Jesus gekreuziget ist. Und es war geschrieben auf hebräische, griechische und lateinische Sprache. Da sprachen die Hohenpriester der Juden zu Pilato:

Evangelist: Daar kruisigden zij Hem, en met Hem twee anderen, aan weerszijden één, en Jezus in het midden.En Pilatus liet ook een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen; er was geschreven: «Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden». Dit opschrift dan lazen vele der Joden; want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks. De overpriesters der Joden dan zeiden tot Pilatus:


Nr. 25b Koor

Schreibe nicht: der Juden König, sondern daß er gesaget habe: Ich bin der Juden König.

Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.


Nr. 25c Recitatief

Evangelist: Pilatus antwortet:

Pilatus: Was ich geschrieben habe, das habe ich geschrieben.

Evangelist: Pilatus antwoordde:

Pilatus: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.


Nr. 26 Koraal

In meines Herzens Grunde,
Dein Nam und Kreuz allein
Funkelt all Zeit und Stunde,
Drauf kann ich fröhlich sein.
Erschein mir in dem Bilde
Zu Trost in meiner Not,
Wie du, Herr Christ, so milde,
Dich hast geblut’ zu Tod!

In de grond van mijn hart
fonkelt iedere tijd en uur
Uw naam en kruis alleen,
daarom kan ik vrolijk zijn.
Verschijn mij in een visioen,
tot troost in mijn nood
hoe Gij, Heer Christus, zo mild
Uzelf hebt laten doodbloeden.


Jezus aan het kruis (Johannes 19, 23-37; Mattheüs 27, 51-52)

Nr. 27a Recitatief

Evangelist: Die Kriegsknechte aber, da sie Jesum gekreuziget hatten, nahmen seine Kleider und machten vier Teile, einem jeglichen Kriegesknechte sein Teil, dazu auch den Rock. Der Rock aber war ungenähet, von oben an gewürket durch und durch.
Da sprachen sie untereinander:

Evangelist: Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven.
Zij zeiden dan tot elkander:


Nr. 27b Koor

Lasset uns den nicht zerteilen, sondern darum losen, wes er sein soll.

Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal;


Nr. 27c Recitatief

Evangelist: Auf daß erfüllet würde die Schrift, die da saget: «Sie haben meine Kleider unter sich geteilet und haben über meinen Rock das Los geworfen.» Solches taten die Kriegesknechte. Es stund aber bei dem Kreuze Jesu seine Mutter und seiner Mutter Schwester, Maria, Kleophas Weib, und Maria Magdalena. Da nun Jesus seine Mutter sahe und den Jünger dabei stehen, den er lieb hatte, spricht er zu seiner Mutter:

Jesus: Weib, siehe, das ist dein Sohn!

Evangelist: Darnach spricht er zu dem Jünger:

Jesus: Siehe, das ist deine Mutter!

Evangelist: zodat het schriftwoord vervuld werd: «Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en overmijn kleding hebben zij het lot geworpen». Dit hebben dan de soldaten gedaan. En bij het kruis van Jezus stonden zijn moeder en de zuster zijner moeder, Maria van Klopas en Maria van Magdala. Toen dan Jezus zijn moeder zag en de discipel, die Hij liefhad, bij haar staande zeide Hij tot zijn moeder:

Jezus: Vrouw, zie, uw zoon.

Evangelist: Daarna zeide Hij tot de discipel:

Jezus: Zie, uw moeder.


Nr. 28 Koraal

Er nahm alles wohl in acht
In der letzten Stunde,
Seine Mutter noch bedacht,
Setzt ihr ein’ Vormunde.
O Mensch, mache Richtigkeit,
Gott und Menschen liebe,
Stirb darauf ohn alles Leid
Und dich nicht betrübe!

Hij droeg zorg voor alles
op het laatste moment,
Zo bedacht Hij nog zijn moeder,
en gaf haar een voogd.
O mens, breng alles op orde,
heb God en mensen lief,
sterf dan zonder enig lijden
en wees niet bedroefd!


Nr. 29 Recitatief

Evangelist: Und von Stund an nahm sie der Jünger zu sich. Darnach, als Jesus wußte, daß schon alles vollbracht war, daß die Schrift erfüllet würde, spricht er:

Jesus: Mich dürstet!

Evangelist: Da stund ein Gefäße voll Essigs. Sie fülleten aber einen Schwamm mit Essig und legten ihn um einen Isopen und hielten es ihm dar zum Munde. Da nun Jesus den Essig genommen hatte, sprach er:

Jesus: Es ist vollbracht!

Evangelist: En van dat uur af nam de discipel haar bij zich in huis. Hierna zeide Jezus, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was, opdat de Schrift vervuld zou worden:

Jezus: Mij dorst!

Evangelist: Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan zijn mond. Toen Jezus dan de zure wijn genomen had zeide Hij:

Jezus: Het is volbracht!


Nr. 30 Aria (alt)

Es ist vollbracht!
O Trost für die gekränkten Seelen!
Die Trauernacht
Läßt nun die letzte Stunde zählen.
Der Held aus Juda siegt mit Macht
Und schließt den Kampf.
Es ist vollbracht!

Het is volbracht!
O troost voor de geprangde zielen!
De nacht van treurnis
laat het laatste uur slaan.
De Held uit Juda zegeviert machtig
en beslist de strijd.
Het is volbracht!


Nr. 31 Recitatief

Evangelist: Und neiget das Haupt und verschied.

Evangelist: En Hij boog het hoofd en gaf de geest.


Nr. 32 Aria (bas) met koraal

Mein teurer Heiland, laß dich fragen,

Jesu, der du warest tot,

Da du nunmehr ans Kreuz geschlagen
Und selbst gesagt: Es ist vollbracht,

Lebest nun ohn Ende,

Bin ich vom Sterben frei gemacht?

In der letzten Todesnot,
Nirgend mich hinwende

Kann ich durch deine Pein und Sterben
Das Himmelreich ererben?
Ist aller Welt Erlösung da?

Als zu dir, der mich versühnt,
O du lieber Herre!

Du kannst vor Schmerzen zwar nichts sagen,

Gib mir nur, was du verdient,

Doch neigest du das Haupt
Und sprichst stillschweigend: ja.

Mehr ich nicht begehre!

Mijn dierbare Heiland, laat ik U vragen,

Jezus, Gij die gestorven was,

Nu Gij daar aan het kruis geslagen bent
en zelf gezegd heeft: Het is volbracht,

leeft nu zonder einde

Ben ik van de sterfelijkheid bevrijd?

In de laatste doodsnood
wend ik mij nergens anders heen

Kan ik door Uw pijn en sterven
het hemelrijk beërven?
Is er verlossing voor de hele wereld?

dan tot U, die mij verzoent,
o, Gij lieve Heer!

Gij kunt van de pijn weliswaar niets zeggen,

Geef mij slechts, wat Gij verdiend hebt

maar Gij neigt het hoofd
en zegt stilzwijgend: ja.

meer begeer ik niet!


Nr. 33 Recitatief

Evangelist: Und siehe da, der Vorhang im Tempel zerriß in zwei Stück von oben an bis unten aus. Und die Erde erbebete, und die Felsen zerrissen, und die Gräber täten sich auf, und stunden auf viel Leiber der Heiligen.

Evangelist: En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt.


Nr. 34 Arioso (tenor)

Mein Herz, indem die ganze Welt
Bei Jesu Leiden gleichfalls leidet,
Die Sonne sich in Trauer kleidet,
Der Vorhang reißt, der Fels zerfällt,
Die Erde bebt, die Gräber spalten,
Weil sie den Schöpfer sehn erkalten,
Was willt du deines Ortes tun?

Mijn hart, terwijl de hele wereld
bij het lijden van Jezus eveneens lijdt,
de zon zich in treurnis kleedt
het voorhangsel scheurt, de rots uiteenvalt,
de aarde beeft, de graven splijten,
omdat zij de Schepper koud zien worden,
wat wil jij in jouw plaats doen?


Nr. 35 Aria (sopraan)

Zerfließe, mein Herze, in Fluten der Zähren
Dem Höchsten zu Ehren!
Erzähle der Welt und dem Himmel die Not:
Dein Jesus ist tot! Da capo.

Vloei uiteen, mijn hart, in stromen van tranen
om de Hoogste te eren!
Vertel aarde en hemel de rampspoed:
je Jezus is dood!


Nr. 36 Recitatief

Evangelist: Die Juden aber, dieweil es der Rüsttag war, daß nicht die Leichname am Kreuze blieben den Sabbath über (denn desselbigen Sabbaths Tag war sehr groß), baten sie Pilatum, daß ihre Beine gebrochen und sie abgenommen würden. Da kamen die Kriegsknechte und brachen dem ersten die Beine und dem andern, der mit ihm gekreuziget war. Als sie aber zu Jesu kamen, da sie sahen, daß er schon gestorben war, brachen sie ihm die Beine nicht; sondern der Kriegsknechte einer eröffnete seine Seite mit einem Speer, und alsobald ging Blut und Wasser heraus. Und der das gesehen hat, der hat es bezeuget, und sein Zeugnis ist wahr, und derselbige weiß, daß er die Wahrheit saget, auf daß ihr gläubet. Denn solches ist geschehen, auf daß die Schrift erfüllet würde: «Ihr sollet ihm kein Bein zerbrechen.» Und abermal spricht eine andere Schrift: «Sie werden sehen, in welchen sie gestochen haben!»

Evangelist: De Joden dan, daar het Voorbereiding was en de lichamen niet op sabbat aan het kruis mochten blijven (want de dag van die sabbat was groot) vroegen Pilatus, dat hun benen gebroken en zij weggenomen zouden worden. De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Jezus gekomen waren en zagen, dat Hij reeds gestorven was, braken zij zijn benen niet, maar een van de soldaten stak met een speer in zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat het schriftwoord zou vervuld worden: «Geen been van Hem zal verbrijzeld worden». En weder zegt een ander schriftwoord: «Zij zullen zien op Hem, die zij doorstoken hebben».


Nr. 37 Koraal

O hilf, Christe, Gottes Sohn,
Durch dein bitter Leiden,
Daß wir dir stets untertan
All Untugend meiden,
Deinen Tod und sein Ursach
Fruchtbarlich bedenken,
Dafür, wiewohl arm und schwach,
Dir Dankopfer schenken.

O help ons, Christus, Zoon van God,
door Uw bitter lijden
dat wij u steeds onderdanig
alle kwaad vermijden.
Dat wij uw dood en de oorzaak ervan
vruchtbaar gedenken,
en daarvoor, ofschoon wij arm en zwak zijn,
U dankoffers schenken.


Jezus’ graflegging (Johannes 19, 38-42)

Nr. 38 Recitatief

Evangelist: Darnach bat Pilatum Joseph von Arimathia, der ein Jünger Jesu war (doch heimlich, aus Furcht vor den Juden), daß er möchte abnehmen den Leichnam Jesu. Und Pilatus erlaubete es. Derowegen kam er und nahm den Leichnam Jesu herab. Es kam aber auch Nikodemus, der vormals bei der Nacht zu Jesu kommen war, und brachte Myrrhen und Aloen untereinander, bei hundert Pfunden. Da nahmen sie den Leichnam Jesu, und bunden ihn in leinen Tücher mit Spezereien, wie die Juden pflegen zu begraben. Es war aber an der Stätte, da er gekreuziget ward, ein Garte, und im Garten ein neu Grab, in welches niemand je geleget war. Daselbst hin legten sie Jesum, um des Rüsttags willen der Juden, dieweil das Grab nahe war.

Evangelist: En daarna vroeg Jozef van Arimatea, een discipel van Jezus (maar in het verborgen uit vrees voor de Joden) aan Pilatus het lichaam van Jezus te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam zijn lichaam weg. En ook kwam Nikodemus, die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond. Zij namen dan het lichaam van Jezus en wikkelden het in linnen windsels met de specerijen, zoals het bij de Joden gebruikelijk is te begraven. En er was ter plaatse, waar Hij gekruisigd was, een hof en in die hof een nieuw graf, waarin nog nooit iemand was bijgezet; daar dan legden zij Jezus neder wegens de Voorbereiding der Joden, omdat het graf dichtbij was.


Nr. 39 Koor

Ruht wohl, ihr heiligen Gebeine,
Die ich nun weiter nicht beweine,
Ruht wohl und bringt auch mich zur Ruh!
Das Grab, so euch bestimmet ist
Und ferner keine Not umschließt,
Macht mir den Himmel auf und schließt
die Hölle zu. Da capo.

Rust zacht, gij heilig gebeente
dat ik nu verder niet beween.
Rust zacht en breng ook mij tot rust!
Het graf, zoals het voor U is bestemd
en dat verder geen rampspoed bevat,
maakt voor mij de hemel open
en sluit de toegang tot de hel.


Nr. 40 Koraal

Ach Herr, laß dein lieb Engelein
Am letzten End die Seele mein
In Abrahams Schoß tragen,
Den Leib in seim Schlafkämmerlein
Gar sanft ohn einge Qual und Pein
Ruhn bis am jüngsten Tage!
Alsdenn vom Tod erwecke mich,
Daß meine Augen sehen dich
In aller Freud, o Gottes Sohn,
Mein Heiland und Genadenthron!
Herr Jesu Christ, erhöre mich,
Ich will dich preisen ewiglich!

Ach Heer, laat Uw lieve engeltjes
aan het eind mijn ziel
naar Abrahams schoot brengen!
Laat mijn lichaam in zijn slaapkamertje
heel zacht, zonder kwellingen en pijn
rusten tot aan de jongste dag!
Wek mij dan op uit de dood,
opdat mijn ogen U mogen zien
in alle vreugde, o Zoon van God,
mijn Heiland en genadetroon!
Heer Jezus Christus, verhoor mij
ik zal U eeuwig prijzen!


Over deze vertaling

De recitatieven en een aantal korte teksten voor koor zijn afkomstig uit Johannes 18 en 19 en Mattheüs 27: 51-52. De hier gebruikte vertaling van die delen is afkomstig uit de vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap uit 1951. Vertaling van de overige teksten: Bram Bos, met dank aan Hansa Krijgsman en de vertalers van COV Bussum.

Overname van deze vertaling is toegestaan met de volgende bronvermelding: "Vertaling: Nederlands Bijbelgenootschap 1951 (recitatieven) en Kamerkoor Vocoza/Bram Bos (overige teksten): www.vocoza.nl"